archiveren

Tagarchief: vergeten groenten

DSCF1133bis

Het ‘knobbelmonster’, voor mij altijd dé aardpeer geweest…

Ik heb nooit helemaal geweten waar hij juist vandaag kwam, maar vanaf het moment dat ik als kind ‘op den buiten’ ging wonen -na tot mijn 12 in het centrum van Lier gewoond te hebben- hebben de mysterieuze ‘aardperen’ bij ons in de tuin gestaan. In de vroege jaren negentig was og geen sprake van de ‘vergeten groenten’ hype, en was dat dus echt een groente die vergeten en voor veel mensen onbekend was, maar daarom niet minder interessant: Grote planten die bijna drie meter hoog werden en met wat geluk ergens in de herfst nog net bloeiden met kleine zonnebloemetjes voor ze kapotvroren. En vanaf het moment dat het loof verdord is tot wanneer ze terug uitlopen kan je de knollen uit de grond halen om op te eten. Die knollen, de eigenlijke aardperen dus, waren in dit geval paarsrode knobbelige dingen die door hun vorm niet altijd te schillen waren, maar die een aangename schorseneer-achtige snaak hadden, en bijvoorbeeld klaargemaakt kunnen worden op typische Vlaamse wijze met witte saus, worst en aardappelen. Of op duizenden andere manieren heb ik ondertussen ontdekt: gegratineerd, in een dikke soep samen met pastinaak, in stoofschotels of waterzooi-achtige maaltijdsoepen; en ga zo maar door…

DSCF1091

Van links naar rechts: ‘onbenoemde rode uit de supermarkt’, ‘wilde blanke uit Kessel’, ‘knobbelmonster’ (Hortus Brambonii, 2012)

Ondertussen zijn we bijna 25 jaar verder, en hoewel de aardperen in de tuin soms winters achtereen vergeten geweest zijn heb ik ik nog altijd nakomelingen van wat ik kende als ‘de aardpeer’. Het dan ook is een groente die soms makkelijker wel te kweken is dan niet… Achteraf heb ik wel ontdekt dat er meerdere soorten aardperen zijn. Niet alle aardperen zijn even knobbelig en grillig van vorm, en hebben dezelfde paarsrode kleur. De meeste commercieel gekweekte rassen hebben blijkbaar een veel voorspelbaardere vorm, en kunnen soms eerder een bruinwitte of beige kleur hebben. En laten we eerlijk wezen, sommige zijn een stuk makkelijker te schillen dan de grillige knobbelmonsters die we oorspronkelijk in de tuin hadden staan. En er bestaan zelfs rassen dievroeger bloeien…

En toch…

De eerste keer dat ik verschillende rassen uitprobeerde bleek dat mijn knobbelmonster, dat ik bij gebrek aan een rasnaam ondertussen effectief zo gedoopt had, toch nog steeds de moeite waard was in vergelijking met de andere soorten. Niet alleen bleek de smaak bij een smaakproef eigenlijk lekkerder dan mijn andere probeersels, maar ook blijft het een ras met een hoge opbrengst. Bovendien zou hij resistent zijn tegen bepaalde problemen die te grote knollen bij andere rassen soms aantasten. Dat is mij trouwens bevestigd geweest door een internationale kweker die met aardperen werkt en die opgetogen was over de opbrengst, resistentie en smaal van het ‘knobbelmonster’. Wel blijkt hij geen zaad te maken, dus het kan zijn dat het ras steriel is.

IMG_2896

Aardperen daarnet: ‘(Helianthus tuberosus): ‘knobbelmonster (links/midden), ‘wilde blanke uit Kessel’ (linksboven), ‘onbenoemde rode uit de supermarkt’ (rechtsboven), plus zonnenwortel (Helianthus strumosus, rechts)

(Aardperen uit zaad kweken is een leuk experiment trouwens. Je weet niet wat je krijgt wel, en het kan zijn dat je knollen krijgt die redelijk waardeloos zijn. De meeste rassen zijn zelfsteriel wel, wat inhoudt dat je minstens twee soorten nodig hebt die op hetzelfde moment bloeien om zaad te verkrijgen…. Wat niet altijd makkelijk is, de aardpeer is een zonnenbloemsoort die daglengte-afhankelijk is om te bloeien, maar elk ras lijkt op een iets andere daglengte te reageren.)

Tegenover de voordelen van het knobbelmonster staan dan wel een grillige vorm waaraan nog eens een hoop wortels hangt, en een vreemde affiniteit om modder aan te trekken die andere rassen niet op dezelfde manier hebben. Kuisen om te koken kan dus iets meer moeite kosten dan bij andere rassen als de knollen iets groter worden…

Maar ondanks deze minpunten is het toch zeker de moeite om deze ‘heirloom’ te blijven kweken, en te delen met wie er interesse in heeft.

 

Advertenties
gevulde olijfkommers

Twee soorten gevulde olijfkomkommers. De verse vruchten onderaan zijn evenwel de gewone, en iet de gestekelde.

De stekelige olijfkomkommer (Cyclanthera brachystachya, ook wel ‘fat baby achocha’ genoemd) is een minder bekend familielid van de in kringen van kwekers van ‘vergeten groenten’ ondertussen redelijk populair zijnde olijfkomkommer (). Het is een makkelijk groeiende plant, die nog net iets beter aangepast is aan ons klimaat dan de gewone olijfkomkommer, en die op zich interessant is als groente, al is het zeker geen plant die de wereldhonger zal oplossen.

Olijfkomkommers zijn kleine komkommmer-achtige vruchtjes die aan klimmende planten groeien, en waarvan de oogst meestal pas geod begint ergens in Augustus, totdat de temperatuur ergens in de herfst zo laag wordt dat de planten kapot gaan. Ze kunnen op verschillende manieren gegeten worden: jong zijn ze lekker als komkommer-achtige saladegroente, en wanneer ze eenmaal rijp zijn kunnen ze gevuld worden (in het Engels is ‘stuffing cucumbers’ één van de namen die voor de groente gebruikt worden…) of in stukjes in wokschotels gebruikt worden bijvoorbeeld.

De stekelige olijfkomkommer die ik heb staan geeft vruchten van ongeveer 7-8 cm lang en rond de 5 cm breed, en ziet er misschien een beetje gevaarlijk uit, maar wat eruit ziet als stekels op het eerste gezicht blijken ongevaarlijk zachte uitsteeksels te zijn. Er zijn enkele verschillen met de gewone olijfkomkommer die opvallen. Behalve de bladvorm (handvormig zonder insnijdingen in tegenstelling tot de diep ingesneden bladeren van de gewone olijfkomkommer) valt het op dat de stekelige olijfkomkommer beter tegen lage temperaturen kan, en iets meer maar ook iets kleinere (maar wel dikkere) vruchten produceert.

De plant is makkelijk te kweken op bonenstaken of een klimrek, en kan samen met andere komkommer- en pompoenachtigen buiten gezet worden, en verder op dezelfde manier als de gewone soort gekweekt worden. Het is een eerder probleemloze groente om te kweken waar ik nooit moeite mee gehad heb…cyclanthera

Wat wel zo is bij deze soort is dat de vruchten redelijk snel hol worden, wat ze voor rauw gebruik snel minder interessant maakt, maar ze dan wel heel goed geschikt maakt om te vullen in de oven, beter dan de gewone olijfkomkommer eigenlijk. Als een hapje vooraf of als bijgerecht bijvoorbeeld krijg je een heel origineel ogend en lekker smakend gerecht op je bord dat iedereen zal verassen… De smaak bij warme bereiding zit ergens tussen groene paprika en courgette in, en is heel lekker te combineren met zowel vlees, kaas (Gouda of Cheddar werkt al heel goed!), of met meer vegetarische vullingen…

Er is trouwens een speciale techniek vereist om de stekelige olijfkomkommer open te snijden die wat handigheid vraagt om onder de knie te krijgen, maar eenmaal dat lukt is het makkelijk om ze te vullen. Het is best eerst een snede te maken in de hele lengte, van de steel tot het andere uiteinde, en daar dan in één beweging het steeltje met zaden aan eruit te trekken. Maar dat zie je wel als je probeert. Je kan hem trouwens ook gewoon in reepjes in een wok- of andere schotel doen waar je ofwel paprika of courgette in zou doen…

Al bij al dus een heel onbekende maar redelijk probleemloze groente waar je originele recepten meet kan uitproberen.

Smakelijk

Bram

DSCF1133bisOmdat verschillende mensen na de vorige post vroegen om aarpeer-recepten post ik even het (semi-geimproviseerde) recept dat ik gebruikt heb voor het overschot van de knollen die gebruikt waren in de smaakproef van de vorige post. Het is interessant omdat het een recept is waarin de eigen smaak van de aardpeer heel goed naar boven komt, en het is een eigen simpele variant op een soep die ik ooit ergens anders geproefd heb, maar die toen heel anders klaargemaakt werd (groenten werden eerst in de oven gegrild als ik het goed herinner) met gelijkaardige ingrediënten, en een smaak die in mijn herinnering toch redelijk gelijklopend was. .

Voor mijn smaakproef had ik 3 knollen, waarvan ik en mede-proevers telkens ongeveer 1/3 knol hadden opgegeten. Wat overbleef was ongeveer equivalent met 2 middelgrote aardpeerknollen (of één knobbelmonster zoals op de foto, mits niet met teveel verlies geschild), en was genoeg voor een voorgerechtsoepje voor 2 personen. Het leuke is dat deze soep in alles op een roomsoep lijkt, maar hoegenaamd geen melk of room bevat.

Voor wie nog meer recepten wil, het internet staat vol als je maar even zoekt…

Aardpeersoep

ingrediënten (voor 2 personen, als voorgerecht):
2 middelgrote aardperen
1 grote ajuin
1 teen knoflook
1/3 courgette
3/4 boullionblokje
peper, zout

bereiding:
Kook de aardperen in de schil voor ongeveer 15 minuten.
Ondertussen snij je de ajuin en het lookteentje in kleine stukjes, en laat die stoven met heel weinig water. Als ze beginnen te fruiten voeg je de cougette toe, geschild en in blokjes gesneden, de kruiden en bouillion, en laat met wat meer water en het deksel erop stoven tot alles zacht is.
Ondertussen zal de aarpeer klaar zijn. Laat even afkoelen en schil deze dan. (Dit is veel handiger dan rauw schillen, en geeft minder verkleuring) en snijd de gare aardpeer in blokjes en voeg toe aan de gestoofde ajuinmix. Laat even meesudderen en haal dan van het vuur om alles heel fijn door te mixen met een staafmixer. Voeg Water toe tot de soep de juiste structuur heeft, en breng terug aan de kook. Proef of de kruiden in balans zijn en kruid zo nodig bij!

Lekker met croutons en gebakken heel gezouten spek!

smakelijk

Bram

(Engelse versie hier)

DSCF1081Vandaag gaan we terug naar de afdeling van de ‘vergeten groenten’, die momenteel heel populair blijken: De aardpeer of topinambour (Helianthus tuberosus). Dit is een zonnebloemsoort met knollen, zoals iemand die latijn ket uit de naam kan halen. Desondanks is hij in deze streken zelden aangeplant vanwege de bloemen, die inderdaad wel kleine zonnenbloemen zijn maar in de praktijk pas heel laat in het jaar komen. De plant is namelijk een kortedagplant en begint pas te denken aan bloemen vormen als de daglengte korter is dan de nachtlengte (ergens na de herfstequinox op 21 september dus), vlak voor het loof door de kou het leven laat in ons klimaat dus…
Dat wil niet zeggen dat de plant pas opvalt vanaf oktober daarvoor heb je de hele zomer lang opvallende groene bebladerde stengels die wel 3 meter hoog kunnen worden. Door de grootte, en doordat de plant soms kan woekeren, kan je dan best ook op voorhand nadenken waar je hem plaatst in je tuin…

In tegenstelling tot de gewone eenjarige zonnebloem (Helianthus annuus) is de aardpeer een doorlevende zonnebloemsoort. In het winterhalfjaar sterft het loof misschien af, maar blijft de plant zelf wel in leven dankzij ondergrondse wortelknollen, die tevens het deel van de plant zijn waar we in geïnteresseerd zijn. Deze knollen hebben een speciale heel eigen smaak, die ergens doet denken aan schorseneren, en volgens sommigen ook aan artisjok (vandaar de Engelse naam ‘Jerusalem artichoke’ ondanks het feit dat de plant niks te maken heeft met Jeruzalem, noch een artisjok is) Dit smaakje, dat bij meer planten van de composietenfamilie aanwezig is, bijvoorbeeld ook bloemblaadjes van de zonnenbloem en de mysterieuze guascas, komt deels door de aanwezigheid het suikerachtige inuline, dat de plant trouwens gezond maakt voor diabetici. (Let op, inuline en insuline zijn niet hetzelfde, al zijn ze beiden heilzaam voor diabetici!)

Er zijn verschillende manieren om de aardpeer klaar te maken. Een ‘basis-Vlaams recept’ zou kunnen zijn om ze, als schorseneren of bloemkool, op te dienen met witte saus, bij vlees en gekookte aardappelen. Een beetje azijn in het kookwater kan wel een goed idee zijn, want de aardpeer heeft de neiging om door oxidatie wat grauwer te worden… Maar er zijn veel meer mogelijkheden, en de laatste jaren door het in de kijker komen van de zogenaamde ‘vergeten groenten’ zijn er ook veel meer recepten voor aardpeer verzonnen. (En is de aardpeer ook meer courant te vinden in de supermarkt) Zelfs experimenteren met gerechten is natuurlijk ook altijd leuk (en dat is ook de manier waarop recepten ontstaan…)100_2182

Aardperen zijn niet moeilijk te oogsten. Je trekt de stengel uit de grond en daar hangen een deel van de knollen al aan, en de rest zijn met een riek of spitvork makkelijk te vinden. Een nadeel van aardperen is dat ze niet heel lang bewaarbaar zijn, ze drogen snel uit, en je kan ze dus eigenlijk beter in de grond houden en pas eruit halen wanneer je gaat eten… Je moet ook niet bang zijn voor de vorst, aardperen zijn heel winterhard en hebben eigenlijk nooit veel last van vorstschade.

Bij mijn ouders stonden er aardperen in de tuin sinds ik 12 was of zo, en we zijn nooit helemaal onverdeeld enthousiast geweest over de plant. Dat is ook omdat het ras dat we altijd hebben staan gehad de neiging heeft om enorm knobbelige knollen te vormen, en bovendien blijft de aarde er zo aan kleven dat je ze moeilijk kan schillen. Niet echt de meest handige groente dus, de aardpeer zoals ik hem kende, maar desondanks nog wel leuk om af en toe met te koken. (Pas later had ik door dat aardperen veel beter pellen als je ze in de schil kookt.)

Die ambivalentie over aardperen vanwege praktisch minder interessante kantjes duurde tot ik doorhad dat de plant die wij hadden staan maar één ras was, en dat er blijkbaar ook andere rassen aardperen waren met betere eigenschappen. Dus ben ik deze lente begonnen met het uitproberen van nieuwe rassen. Behalve mijn aloude variant (die ik “knobbelmonster” heb gedoopt”) had ik 2 types knollen uit de supermarkt in de grond gestoken, alsook een variant die ergens wild ontsnapt was. De logica is dat commerciële rassen meestal eigenschappen hebben die interessant zijn voor verkoop, en anderzijds dat planten die de sprong naar het wild kunnen maken zeker goed aangepast zijn aan onze klimaat en andere plaatselijke groei-omstandigheden…

(Het zou op zich leuk zijn om ze te kruisen en dan zelf een variant te selecteren die best aangepast is aan wat ik zelf wil, maar dat is in dit klimaat moeilijk, omdat er nooit zaad gevormd wordt door de te late bloei. Alle rassen zijn dus klonen die zich vegetatief vermeerderen, wat dus niet snel tot nieuwe rassen leidt.. Misschien ooit proberen om ze binnen te forceren tot zaadvorming?)

De 2 types uit de supermarkt bleken achteraf wel compleet identiek te zijn trouwens… Dus bleven er 3 verschillende soorten over: het aloude ‘knobbelmonster, de wilde “back to nature”, en de commerciele “supermarket”, waarbij duidelijk is als we vergelijken dat “knobbelmonster” praktisch gezien niet bepaald de interessantste aardpeer is in de keuken. Zowel de wilde vorm als de supermarktvorm scoren veel beter op vorm en wasbaarheDSCF1091id. Wel valt op dat de wilde vorm een lagere opbrengst heeft, al kan dat te maken hebben met verplanten heel vroeg in het seizoen.

Na een smaakproef wordt het allemaal nog moeilijker: “knobbelmonster” blijkt, zoals met oude rassen dikwijls het geval is, ondanks alles toch veel beter van smaak, en “supermarket” heeft, ondanks alle goede eigenschappen, veel minder eigen karakter qua smaak… Afwegen blijkt dus redelijk moeilijk…

(Op de foto zien we links “supermarket”,  in het midden “back to nature”, en daarnaast “knobbelmonster”, op de foto vanboven staan ze in omgekeerde volgorde.)

Verdict:

“knobbelmonster”
smaak: vol, superieur aroma
kleur: paarsrood
opbrengst: hoog
vorm: kleine bollen mooi rond, grote knollen worden snel knobbelig en volledig onpelbaar
andere opmerkingen: aarde blijft eraan plakken, moeilijk te wassen.

“back to nature”
smaak: goed
kleur: bruinig wit
opbrengst: laag
vorm: mooie simpele knollen, meer eivormig van vorm
andere opmerkingen: lagere opbrengst kan door verplanten komen.

“supermarket”
smaak: oké, niet speciaal
kleur: roodachtig
opbrengst: goed
vorm: meestal mooi gevormde knollen, heel rond vormen

De boodschap is dus conflicterend: het oude ras is qua smaak beter, maar verder nogal moeilijk in gebruikt. het commerciële ras daarentegen is oké qua smaak, maar veel beter op alle andere vlakken, en de wilde selectie zit overal middenin. Verder experimenteren blijkt een goed idee: er zijn zoals deze eerste proef duidelijk maakt zeker wel grote verschillen tussen rassen. Nog meer rassen proberen volgend jaar zal dus zeker zijn vruchten afwerpen.

groeten

Bram

(Oorspronkelijk gepost op blog van Brambonius op 20 Maart 2009. Lichtjes aangepaste versie)

Een uitstapje in mijn reeks over ‘koken met onkruid’, want in feite is het helemaal geen onkruid: radijsjesloofsoep. Om het toch relevant te maken voor mijn ‘koken met onkruid’-reeks: je kan het radijsloof vervangen door wilde radijs (een plant die vooral aan de kust groeit maar hier zeldzaam is) of door veel algemenere knopherik, die dichte familie is van de radijs en veel te vinden is op braakliggend terrein… Ook andere cruciferen (mosterd- en koolachtigen, diverse kers-soorten en herderstasje…) zijn bruikbaar voor allerlei gerechten natuurlijk, aar moet je zelf maar mee experimenteren.

Doorgeschoten radijsplanten in een verwilderde plukslamix. in dit stadium is het eigenlijk al te laat om nog veel met het loof te doen. Wel zijn de bloemen eetbaar in salade, en zijn de jonge peultjes lekker in wok-gerechten.

 

Radijzen zijn één van de makkelijkste groenten om zelf te kweken, iets wat op de meeste gronden en in de meeste jaargetijden in een paar maanden wel lukt. Hier in deze streken worden de knolletjes vooral rauw gegeten, meestal in of bij salades, maar in veel oosterse keukens worden die dikwijls gekookt klaargemaakt. Maar niet alleen de knolletjes zijn eetbaar: eigenlijk is de hele plant eetbaar! Wat niet betekent dat alle delen gebruikt worden in de keuken. De stengels zijn bijvoorbeeld nogal taai, en het zaad is mogelijk zelfs giftig als het teveel gegeten wordt, al is die kans klein gezien de sterke smaak.

De zaailingen geven trouwens een lekkere spruitgroente (zijn wel een stuk groter dan tuinkers) en de bloemen kunnen gebruikt worden om salades te versieren zo u wil, en de jonge vruchten (opgeblazen hauwen) zijn ook heel lekker… Voor dit gerecht zijn ook jonge stengels bruikbaar van doorschietende planten, maar vanaf het punt waarop de bloemen echt openen is het niet meer aan te raden om ze te gebruiken.

Maar vandaag gaat het gewoon over het loof, de groene blaadjes op de radijs die de meeste mensen weggooien. Dat loof kan je op verschillende manieren gebruiken. Om rauw te eten is het niet helemaal ideaal, omdat de structuur over het algemeen nogal ruw is, met stugge bijna stekelige haren, wat niet aangenaam is in de mond.

Gekookt kan het toegevoegd worden aan gemengde stoofschotels, en in ‘stoemp’ is het ook lekker (gewoon tussen de puree prakken). Denk er wel aan dat het enorm krimpt, en dat een volle pot bladeren dikwijls maar een goed volle bodem geeft na koken… De traditionele verwerking is de eerder genoemde soep, die heel simpel gemaakt kan worden:

Radijsjesloofsoep

Ingrediënten:
genoeg radijsjesloof om je kookpot voor 2/3 mee te vullen
1 ajuin
vetstof (olie, boter, margarine…)
water
bouillon (+ zout en peper, kruiden en look naar smaak)

en een staafmixer

Bereiding:
Snij de ajuin en stukjes en fruit die op de bodem van je kookpot. Als hij gaar is voeg je de gewassen en wat fijngesneden radijsloofblaadjes toe, en wat water en een bouillonblokje, en zet het deksel op de pot. Als de blaadjes gaar zijn neem je de pot van het vuur, en mix je het geheel tot alles goed fijn is. Dan vul je het water aan en laat het nog even doorkoken…

Met een aardappeltje erbij (aan het begin in kleine blokjes toevoegen) wordt de soep iets dikker en steviger.

smakelijk

Bram

(Nederlandse versie, voor de Engelse versie zie hier)

!! Ik heb momenteel nog een paar zakjes met een beetje zelfgekweekt boomspinazie-zaad liggen, die ik graag deel met wie ze wil ruilen voor een andere soort, of wie ze komt halen in Antwerpen en mij een pint trakteert, of die eventueel de verstuurkosten terugbetaalt. Je kan me contacteren op Brambonius [at] gmail [dot] com

Boomspinazie (Chenopodium giganteum ‘magentaspreen’) is één van de makkelijkste planten in de categorie ‘niet voor de hand liggende groenten’, en één waar je wel wat aan kan hebben. Zoals de naam doet vermoeden is de plant familie van spinazie, en ook bruikbaar op dezelfde manier. Maar ondanks wat de naam zou doen vermoeden is het toch niet bepaald een boom, maar (net zoals spinazie en verwanten) een eenjarige kruidachtige plant. Desondanks is het toch een soort die fors uitgroeit en, mits vroeg genoeg gezaaid in de juiste omstandigheden, kan hij een hoogte van meer dan 3 meter bereiken!

 De boomspinazie hoort bij een hele lijst van melde- en ganzenvoetsoorten die als groenten gebruikt kunnen worden, waaronder . Hij is ook een dichte verwant van Quinoa (C. Quinoa), waarvan de zaden gegeten worden maar die eveneens eetbare bladeren heeft, en de melganzenvoet (C. album), één van de meest voorkomende onkruiden op deze planeet, die trouwens evengoed eetbaar is en bruikbaar op dezelfde manier als zijn grotere familielid. Maar de boomspinazie is in alles een stuk struiser , en bovendien een veel mooiere plant: aan de groei-uiteinden zijn de jongste blaadjes steeds bepoederd met een fluo-violet poeder, wat zeer decoratief is in de tuin, of in de sla… Deze kleur verdwijnt spijtig genoeg wel met het koken.

 Gebruik:

Gebruik is heel simpel: jonge bladeren en scheutjes zijn eetbaar gekookt als spinazie, of rauw in de sla, de oudere bladeren worden best gekookt. Ook de jonge bloeiende twijgen zouden eetbaar zijn, maar daar heb ik geen ervaring mee. Boomspinazie is dus bruikbaar voor alle spinaziegerechten, en voor salades allerhande.

 Het zaad zou ook bruikbaar moeten zijn, maar is nogal moeilijk te verzamelen. De zaadjes zijn ook veel kleiner dan quinoa., en meer vergelijkbaar met die van melganzenvoet, die als graanplant niet meer gebruikt wordt, maar wel als dusdanig werd gegeten in de prehistorie. Vermits de plant veel zaad maakt is het misschien wel iets voor avontuurlijke tuiniers om eens iets mee te proberen.

 Kweek:

Boomspinazie is heel makkelijk te zaaien. Hij overleeft goed op de meeste grondsoorten, maar zal vooral bij veel water en zonlicht de hoogte inschieten. Je kan de plant voorzaaien in potjes, of gewoon ter plaatse zaaien vanaf april, maar hou er rekening mee dat het een lichtkiemer is, dus dek de zaden zeker niet af! Zeker niet te dicht bijeen zaaien, want de planten worden na een paar maanden heel groot! Vanaf dat de planten 20 cm groot zijn kunnen jonge blaadjes en de topjes geoogst worden totdat de plant na de zomer begint te bloeien.

 Boomspinazie is eenjarig, maar vormt veel zaad dat makkelijk te verzamelen is. Zie wel dat je niet teveel planten in het zaad laat komen, want de plant is zelf-uitzaaiend en vormt een zaadbank die jaren later nog zaadjes kan opleveren die plots opkomen.

 !!Opgelet: Zoals bij echte spinazie en veel andere bladgroenten moet er wel opgelet worden met nitraten: als, de plant ergens staat waar er teveel stikstof in de grond zit (kunstmest!!!) kunnen er hoge concentraties nitraten in de bladeren opgeslagen worden, en is het beter om de plant eerst kort te blancheren in koken water, en het kooknat daarvan te verwijderen voordat hij verder gebruikt wordt!