archiveren

Tagarchief: moestuin

gevulde olijfkommers

Twee soorten gevulde olijfkomkommers. De verse vruchten onderaan zijn evenwel de gewone, en iet de gestekelde.

De stekelige olijfkomkommer (Cyclanthera brachystachya, ook wel ‘fat baby achocha’ genoemd) is een minder bekend familielid van de in kringen van kwekers van ‘vergeten groenten’ ondertussen redelijk populair zijnde olijfkomkommer (). Het is een makkelijk groeiende plant, die nog net iets beter aangepast is aan ons klimaat dan de gewone olijfkomkommer, en die op zich interessant is als groente, al is het zeker geen plant die de wereldhonger zal oplossen.

Olijfkomkommers zijn kleine komkommmer-achtige vruchtjes die aan klimmende planten groeien, en waarvan de oogst meestal pas geod begint ergens in Augustus, totdat de temperatuur ergens in de herfst zo laag wordt dat de planten kapot gaan. Ze kunnen op verschillende manieren gegeten worden: jong zijn ze lekker als komkommer-achtige saladegroente, en wanneer ze eenmaal rijp zijn kunnen ze gevuld worden (in het Engels is ‘stuffing cucumbers’ één van de namen die voor de groente gebruikt worden…) of in stukjes in wokschotels gebruikt worden bijvoorbeeld.

De stekelige olijfkomkommer die ik heb staan geeft vruchten van ongeveer 7-8 cm lang en rond de 5 cm breed, en ziet er misschien een beetje gevaarlijk uit, maar wat eruit ziet als stekels op het eerste gezicht blijken ongevaarlijk zachte uitsteeksels te zijn. Er zijn enkele verschillen met de gewone olijfkomkommer die opvallen. Behalve de bladvorm (handvormig zonder insnijdingen in tegenstelling tot de diep ingesneden bladeren van de gewone olijfkomkommer) valt het op dat de stekelige olijfkomkommer beter tegen lage temperaturen kan, en iets meer maar ook iets kleinere (maar wel dikkere) vruchten produceert.

De plant is makkelijk te kweken op bonenstaken of een klimrek, en kan samen met andere komkommer- en pompoenachtigen buiten gezet worden, en verder op dezelfde manier als de gewone soort gekweekt worden. Het is een eerder probleemloze groente om te kweken waar ik nooit moeite mee gehad heb…cyclanthera

Wat wel zo is bij deze soort is dat de vruchten redelijk snel hol worden, wat ze voor rauw gebruik snel minder interessant maakt, maar ze dan wel heel goed geschikt maakt om te vullen in de oven, beter dan de gewone olijfkomkommer eigenlijk. Als een hapje vooraf of als bijgerecht bijvoorbeeld krijg je een heel origineel ogend en lekker smakend gerecht op je bord dat iedereen zal verassen… De smaak bij warme bereiding zit ergens tussen groene paprika en courgette in, en is heel lekker te combineren met zowel vlees, kaas (Gouda of Cheddar werkt al heel goed!), of met meer vegetarische vullingen…

Er is trouwens een speciale techniek vereist om de stekelige olijfkomkommer open te snijden die wat handigheid vraagt om onder de knie te krijgen, maar eenmaal dat lukt is het makkelijk om ze te vullen. Het is best eerst een snede te maken in de hele lengte, van de steel tot het andere uiteinde, en daar dan in één beweging het steeltje met zaden aan eruit te trekken. Maar dat zie je wel als je probeert. Je kan hem trouwens ook gewoon in reepjes in een wok- of andere schotel doen waar je ofwel paprika of courgette in zou doen…

Al bij al dus een heel onbekende maar redelijk probleemloze groente waar je originele recepten meet kan uitproberen.

Smakelijk

Bram

Ibonenn alle chaos, tekort aan tijd en andere toestanden zijn er een aantal dingen in de tuin in 2014 die niet echt veel deden. Aan de andere kant waren er een aantal kleine successen, waaronder de verschillende staakbonen die ik had staan, en die grotendeels als ‘dual purpose’ bedoeld waren: zowel voor de jonge peulen als snijboon of prinsessenboon als voor de gedroogde bonen achteraf. En we hebben best wat bootjes gegeten deze zomer, en deze winter hebben we al geregeld gedroogde bonen gegeten…

De meeste van deze bonen zijn rassen van de gewone boon (Phaseolus vulgaris), een soort die interessant is voor ‘seedsaven’ omdat ze aan zelfbestuiving doet en blijkbaar geen bestuivers heeft hier, en dus volledig soortecht terugkomt uit zaad hoeveel je er ook in elkaars buurt hebt staan. Dat is zeker niet bij alle planten zo (sommige zet je beter een halve kilometer uit elkaar als je het ras wil bewaren!) en is niet zo het geval met de pronkbonen (Phaseolus coccineus), waarvan ik dus maar één ras heb staan, of met tuinbonen (Vicia faba), maar wel weer met de gewone erwt (Pisum sativum).

(Niet op de foto, wegens voor de tweede keer niet gelukt, staat de witte Hyacintboon (Lablab purpureus) die ook met zaad van een nieuw ras hier amper tot bloeien kwam. Dat proberen we dus niet meer…)

Welke rassen staan er op deze foto?

“Monastic coco” pea bean:
Eén van mijn favoriete bonen ondertussen, een redelijk obscure Engelse heirloom ‘pea bean’, die oorspronkelijk in kloosters gekweekt werd als droogboon. Voor een staakboon redelijk vroeg, met lekkere peulen die eruitzien als kleine snijboontjes en die ook lekker zijn in dit stadium. De vers gedopte of gedroogde bonen zijn ook best smakelijk, en leuk is dat de bonen gekookt hun roodwitte ‘yin-yang’ tekening redelijk behouden. De smaak van dit type van ‘pea beans’ wordt door Amerikanen soms vergeleken met bacon, wat ik niet helemaal proef, maar het zijn zeker bonen met een eigen smaak en karakter!
Aanradertje! Ik week ze wel een dagje langer omdat hij een beetje onregelmatig is in het weken, maar dat is ook het enige dat ik aan deze boon heb aan te merken.

Brams ‘Accidental pole princess’ cannellini
Een eigen selectie die oorspronkelijk afkomstig is van een afwijkende plant die een aantal jaar geleden opkwam uit een zakje zaad van ‘Helda’ snijbonen. Tussen de snijbonen was er een plant die rijkelijk prinsessenboontjes gaf inplaats van snijbonen, wat ik zo interessant vond dat ik er zaad van bewaard heb waarvan dit nu de derde generatie is. (Of het een mutatie/kruising/afwijking van ‘Helda’ is of een boon van een bestaand ras die verloren gelopen is weet ik niet, maar het is de moeite om hem verder wat de oorsprong ook is) Niet alleen is deze boon lekker als groene boon, maar de gedroogde bonen zelf zijn ook de moeite waard: lekkere witte nierboontjes van het ‘cannelini’-type die heel aangenaam zijn om mee te koken. De plant heeft (net als ‘Helda’) een heel goede opbrengst ook in ons klimaat!

Scarlet runner’ pronkboon
De typische rode pronkboon, die dikwijls als sierplant gekweekt wordt maar evengoed heel bruikbaar is in de keuken. Jong zijn de peulen eetbaar als snijbonen (maar ze worden snel hard) en ook de opvallende zaden zijn eetbaar. Gekookt verliezen de paarse bonen met zwarte strepen het meeste van hun paarse kleur, maar houden ze hun strepen wel grotendeels wat een opvallende toets geeft aan gerechten. Er komen altijd twee typen van zaden voor, één met paars en weinig zwarte strepen, en een ander met veel meer zwarte patronen, maar zonder tussenvormen.
In feite bestaat mijn populatie uit een mix van standaard pronkbonen en zogenaamde ‘Stiense pronkbonen’, die een oud Nederlands ras zouden zijn, maar ik nooit een verschil kunnen zien tussen beiden. Dat pronkbonen (Phaseolus coccineus) enorm aan kruisbestuiving doen in tegenstelling tot de zelfbestuivende gewone boon (P. vulgaris) horen maakt het natuurlijk niet makkelijker om een ras zuiver te bewaren.
De pronkboon is veel toleranter voor kou en slecht weer dan de gewone boon, en in vorstvrije omstandigheden is hij trouwens doorlevend. (Het zou mogelijk moeten zijn de wortels over te houden, maar daar heb ik geen ervaring mee.)

‘Cherokee trail of tears’
Een van oorsprong Indiaans ras waarvan de naam verwijst naar de tragische geschiedenis ervan: deze bonen werden meegenomen door de Cherokee toen ze gedwongen werden om op mensonwaardige manier te verhuizen, en hebben de Indianen geholpen om te overleven op de plaats waarnaar ze gedeporteerd waren. Lekker als prinsessenboom, de bonen zijn groen, paars of gevlekt maar worden bij koken altijd groen. Omdat ik vooral de peulen geoogst heb had ik nog niet genoeg zaden om ze te koken en de smaak te beoordelen, maar de zaden zijn relatief klein en zwart, en zien er een beetje uit als schildpadboontjes…

Staakborlotti:
Ik was helemaal vergeten dat ik een paar zaden van deze tradionele Italiaanse bonen tussen de rest had staan, en had er dus niet op gelet om niet teveel peulen te oogsten om genoeg zaden te kunnen overhouden, maar uiteindelijk bleken er wel wat zaden te zijn, genoeg voor 1 maaltijd en een zaadvoorraadje. Lekkere jonge peulen dus, die er een beetje als paargestreepte sbijbonen uitzien, en natuurlijk heel lekker als droogboon ook die veel toepassingen heeft in de traditionele keuken. Lijkt op ‘pinto’ bonen maar de smaak is anders.

‘Rattlesnake’:
Een speciaal geval deze, met bleke en iets paarsgevlekte snijbonen die best goed van smaak zijn. Ook lekker als droogboon, met mooie bruigestreepte zaden die net zoals pronkbonen de zwarte strepen houden als ze gekookt worden. Aanradertje.
(Ik weet trouwens niet of de naam 100% klopt; mijn zaden hebben de juiste tekening en kleur maar zijn platter dan de meeste ‘rattlesnake’ bonen die ik online of foto’s zie. Blijft een leuk en makkelijk boontje in ieder geval!))

‘Hidatsa’
Volledige naam ‘Hidatsa shield bean’. Ook een erfgoedras van Indiaanse oorsprong, genoemd naar de indianenstam die deze mooie boontjes eerste kweekte. In veel opzichten vergelijkbaar met ‘monastic coco’: vroege staakboon met gelijkaardige kleine snijboon-achtige peultjes die je in dit stadium eigenlijk niet kan onderscheiden van ‘monastic coco’ (en ook heel lekker!) die redelijk ronde en smaakvolle bonen geeft. De bonen zijn nog net iets vroeger rijp zelfs, en de zaden zijn een tikkeltje groter met een andere tekening, half wit half gespikkeld met grijs en bruin.