(Nederlandse versie hier)

Passiflora is a genus of several hundred species of plants, known for its unique and sometimes quite spectacular flowers, and therefore popular with lovers of exotic plants. Different species are used in different ways: The common passion fruit (P. edulis) is eaten as a fruit, while P. Incarnata is used in herbal medicine as a sedative. But most species are just grown for their beautiful flowers.


Passiflora caerulea – blue passionflower

Here in this corner of Europe that’s not without problems: Passion flowers are very beautiful and generally fast-growing climbing plants, but they often need tropical or subtropical climates to thrive. So here in Flanders we’re just at or just below the Northern Border for the most cold-resistant passion flowers that grow well outdoors. There are some species that grow reasonably outside here, until a very severe winter shows up that is. The common blue passionflower (P. caerulea) is the best-known species here and also the best-adapted to our climate. The maypop, Passiflora incarnata can survive even colder winter temperatures, but it completely freezes off in cold climates every winter and then needs to grow back completely from the roots, needing summers more hot than ours to have much flowers and fruits.

(I leave out the northernmost species P. Lutea here, the yellow passionflower which has no ornamental value and is reportedly not the easiest plant to grow.)


Tucumanese passionflower – Passiflora tucumanensis

There are a number of hybrids and ornamental varieties that are grown, some of which very nice. But there is also another less known wild species that should be almost like P. Caerulea when it comes to coldhardiness, the P. Tucumanensis (sometimes called P. Naviculata). This is a South American species that grows in mountain areas and so is accustomed to cooler temperatures.

The Tucumanese passionflower, as its name can be translated, is named after the Argentine province of Tucuman. It has small soft-green ternate lobed leaves and hanging passion flowers, slightly smaller than those of the blue passionflower. The flowers, that are only open for one day, have a spectacular purple-white corona.

Earlier his summer I had ordered a plant of this and some other species from de passifloratuin, and today the Tucumanese Passionflower is the first of those plants that blooms. It is stil to be seen how well it does in the long run, but of all my Passiflora plants I have here now it is the one that continued to grow most in August which was exceptional cold and wet… So maybe it’s indeed a plant that can withstand cooler summers. We will still have to wait and see what happens in and after the winter though…


Tucumanese Passionlfower – Passiflora tucumanensis

But there is more: If we look edible fruit this one might actually also be interesting. The fruits are described as small, but with a very delicate aromatic flavor which is even better than the common passion fruit. What makes it more interesting here than P. Incarnata which generally needs a longer and much hotter growing season to form ripe fruit than we have, and P. Caerulea which sets fruit here, but is not known for its good taste … (and all hybrids, which have reduced fertility, which is not very convenient if you like to have a lot of fruit)
The problem here is that Passiflora-species are generally self-incompatible, so you need at least two genetically different plants (that means no clones which come from cuttings taken from the same mother plant) and I have only one at the moment …

But we’re working on that, so probably this story will be continued one day… The first impressions of the Tucumanese passionflower are very positive right now though…


(English version here)

Passiflora is een geslacht van enkele honderden soorten planten met unieke en soms heel spectaculaire bloemen, dat geliefd is bij liefhebbers van exotische planten. Verschillende soorten worden op verschillende manieren gebruikt: De gewone passievrucht (P. edulis) wordt gegeten als fruit, terwijl P. Incarnata in de kruidengeneeskunde gebruikt wordt als kalmerend middel. Maar de meeste soorten worden natuurlijk gekweekt om hun mooie bloemen.


Passiflora caerulea – blauwe passiebloem

En daar zitten we hier in de lage landen met een moeilijkheidje: Passiebloemen zijn heel mooie en over het algemeen sterk groeiende klimplanten, maar ze hebben tropische of subtropische klimaten nodig om goed te gedijen. We zitten dus net op of onder de Noordgrens voor de meest koudebestendige passiebloemen die goed buiten groeien. Er zijn een aantal soorten die het redelijk buiten doen hier, tot er een elfstedentochtwinter opduikt toch, waarvan de gewone blauwe passiebloem (P. Caerulea) de bekendste en de best aan ons klimaat aangepaste is. Passiflora incarnata kan op zich tegen koudere wintertemperaturen maar vriest in koude klimaten elke winter helemaal af en heeft hete zomers nodig om terug tot bloeien en vruchtzetten te komen.

(We laten de Noordelijkste soort P. Lutea, de gele passiebloem, even buiten beschouwing, die geen sierwaarde heeft en naar verluidt ook niet de makkelijkste plant is.)


Passiflora tucumanensis – Tucumanse passiebloem

Er zijn een aantal kruisingen en siervarianten die gekweekt worden, waarvan sommige heel mooie. Maar er is ook nog een andere minder gekweekte wilde soort die ongeveer even koudebestendig zou moeten zijn als P. Caerulea, de P. Tucumanensis (soms P. Naviculata genoemd). Dit is een Zuid-Amerikaanse soort die in berggebieden groeit en dus aan koelere temperaturen gewend is.

DE Tucumaanse passiebloem, zoals zijn naam vertaald kan worden, is genoemd naar de Argentijnse provincie Tucuman. Het is een soort met kleine zachtgroene drietallig gelobde bladeren en hangende passiebloemen die iets kleiner zijn dan die van de blauwe passiebloem. De bloemen, die zoals bij andere soorten één dag open zijn, hebben naar achter geslagen bloembladeren en een spectaculair paars-witte corona.

Midden deze zomer had ik een plantje van deze en enkele andere soorten besteld bij de passifloratuin, en vandaag is dit de eerste van mijn planten die bloeit. Het is natuurlijk afwachten hoe goed hij het in praktijk doet, maar van al mijn Passiflora-planten die ik nu heb staan is het degene die het meeste is blijven groeien in Augustus… Dus misschien is het inderdaad wel een plant die tegen koelere zomers kan. De winter zullen we natuurlijk nog moeten afwachten…


Passiflora tucumanensis – Tucumaanse passiebloem

Als we kijken naar een kans om eetbare vruchten te hebben zou deze ook wel eens interessant kunnen zijn. De vruchten worden beschreven als klein, maar met een heel fijne aromatische smaak die zelfs beter is als de gewone passievrucht. Wat hem interessanter maakt dan P. Incarnata die over het algemeen een langer en heter groeisseizoen nodig heeft om vruchten te vormen dan wij hebben, en P. Caerulea die vrucht zet maar niet bekend staat om zijn goede smaak… (en alle kruisingen, die een verminderde vruchtbaarheid hebben wat niet handig is als je graag fruit hebt)
Het probleem is wel dat Passiflora zelf-incompatibel is en je minstens twee genetisch verschillende planten nodig hebt (Dus geen klonen die van dezelfde moederplant gestekt zijn) en ik heb er maar één momenteel…

Maar daar wordt aan gewerkt, dus waarschijnlijk wordt dit ooit vervolgd… De eerste indrukken van de Tucumaanse passiebloem op dit moment zijn in ieder geval positief…

(Nederlandse versie hier)

This wcourgettedingesell-shaped zucchini comes from a plant in my pumpkin patch although I didn’t plant anything like this, and I honestly have no idea what the plant it comes from was supposed to be, since the label is unreadable now… That doesn’t mean that it’s not pretty good taste-wise, and not ugly either… I did harvest more than one of these fruits from that plant already, and it’s not a bad yielder. I also used some leaves together with other Cucurbita-green in a fine African pumpkin leaves-peanut stew, which i still recommend very much by the way. I still make it with chicken satay and rice, but someday I will try it with fufu.

But let’s go back to my green zucchini here. I don’t know what I originally planted, but it is clear that it comes from impure zucchini seeds. The plant has a semi-bushy way of growth, only growing out a bit more than a normal courgette plant, so I suppose it is a cross between a standard green bush zucchini and other Cucurbita pepo that is not growing bushy, with broader fruit. I suspect it to be something like a spaghetti squash, but I’m not sure at all of that. There are many types of squash besides of long and round zucchini within the species C. pepo, like spaghetti squash, pattypan squash and certain pumpkins. But there are also varietiest that are bred as ornamental gourds’.

And that bit required a warning: some of those ornamental forms of C. pepo are not edible, because they are very bitter by the presence of the rather dangerous cucurbitine. So it can be dangerous to eat just any gourdlike suqash of unknown origin. Fortunately cucurbitine is easily recognizable by the bitter taste so most people won’t eat it.

But it remains important to be very careful with C. Pepo squashes that do not look like the mother plant because their father is soe unknown pollinator, and they must therefore be tasted with great suspicion (by someone who can distinguish a bitter taste well) before it is eaten and served to others…

So if you should ever encounter a bitter zucchini, squash, spaghetti squash or the like, do not eat it, but immediately pull out the plant itself so it won’t pollinate any of the others (in case you take seed)! And do not take any seed of C. pepo variants if bitter plant were close when they were pollinated and the fruits were formed. Also never take C. pepo seed from uncontrolled pollination when bitter gourds grew nearby.

This bit holds true especially for pumpkin varieties of the genus Cucurbita pepo. There are no bitter varieties grown of the other species of the genus. So C. maxima (most winter squashes including giant pumpkins and hokkaido varieties), C. moschata (butternut), and possibly C. ficifolia and C. mixta do not pose the same no such risk.

But still, never eat a bitter squash, kids…

(English version here)

Deze welgevormde courgettecourgettedinges komt van een plant in mijn pompoenveldje die daar ongeïnviteerd dit soort van vruchten produceert. Ik heb er eerlijk gezegd geen idee van wat er eigenlijk had moeten staan, want het labeltje is onleesbaar… Dat neemt niet weg dat hij best lekker is, en niet echt lelijk ook niet… ‘k Heb al wat exemplaren van de plant kunnen oogsten ook. En een keer wat bladeren gebruikt met ander Cucurbita-groen in een fijne Afrikaanse pompoenbladeren-pindakaas-stoofpot, wat nog steeds een aanrader is trouwens. Ik maak hem nog steeds met kipspiesjes en rijst, maar ooit ga ik eens proberen met fufu.

Maar het ging over mijn groen courgette-monster hier. Ik weet niet wat ik oorspronkelijk gezaaid heb, maar het is duidelijk dat het rasonzuiver courgette-zaad was. De plant heeft een half-bossige maar iets verder uitgroeiende groeiwijze dan een normale courgetteplant, dus ik veronderstel dat het een kruising is tussen een standaard groene struikcourgette en een andere Cucurbita pepo die niet struikvormig groeit en brede vruchten heeft. Ik vermoed dat het iets als een spaghettipompoen geeest kan zijn, maar zeker ben ik niet. Er zijn behalve veel typen lange en ronde courgettes ook pompoenen die bij C. pepo horen, en de spaghettipompoen en patisson zijn ook allemaal deel van dezelfde soort. Maar er zijn ook rassen die als ‘sierkalebassen’ gekweekt worden.

En daar hoort een waarschuwing bij: sommige van die siervormen van C. pepo zijn niet eetbaar, en zijn heel bitter door de aanwezigheid van het nogal gevaarlijke cucurbitacine. Zomaar eender welke pompoenachtige van onbekende oorsprong opeten kan dus gevaarlijk zijn. Gelukkig dat het cucurbitine makkelijk te herkennen is aan een bittere smaal. Maar een C. pepo die er niet uitziet als de moederplant met onbekende bestuiver moet dus met veel wantrouwen geproefd worden (door iemand die bitter goed kan onderscheiden) voor hij opgegeten en aan anderen voorgezet wordt wordt.

Als je dus ooit een bittere courgette, pompoen, spaghettipompen of dergelijke zou tegenkomen, niet opeten en plant meteen uittrekken zodat hij niets bestuift van de anderen (ingeval je zelf zaad neemt)! En geen zaad nemen van alle C. pepo-varianten die in de buurt stonden en vruchten gevormd hebben terwijl de bittere plant bloeide. En nooit C. pepo zaad nemen van ongecontroleerde bestuiving als er bittere sierkalebassen in de buurt staan natuurlijk.

Dit geldt trouwens vooral voor pompoenenachtigen van de soort Cucurbita pepo. Van de andere soorten van het geslacht zijn geen bittere rassen in omploop normaalgezien, dus C. maxima (de meeste winterpompoenen inclusief reuzenpompoenen ne hokkaido-rassen), C. moschata (muskuspompoen, butternut), en eventueel C. ficifolia en C. mixta zijn niet zo’n risico.


Ik had ze al een paar keer lang glassgelzien gaan op het internet: een foto van een maiskolf met korrels die in alle surrealistische kleuren schitteren waaraan de naam ‘glass gem’ verbonden was. Het was niet zoals sommigen dachten een oefening in fotoshop-techniek, noch een vorm van genetische manipulatie. Blijkbaar wel een uitzonderlijk mooi maisras, wat de meeste andere foto’s van dat ras online gaven kolven van heel veel verschillende kleuren die blinken als kleine edelstenen… Bij wat meer rondkijken op het internet bleek het een ras met genen van oudere indianenrassen die op die manier van uitsterven gered werden door Carl Barnes, zelf half Cherokee. Dankzij het internet werd dit niet zomaar een liefhebberij, maar foto’s van zijn mais gingen viraal omdat ze zo spectaculair waren. Glass gem was klaarblijkelijk zelfs zo populair dat tijdens het hoogtepunt van glass gem als internetfenomeen in 2012 mensen belachelijk hoge prijzen betaalden voor belachelijk lage hoeveelheden zaadjes op ebay. Het zaadbedrijf Native seeds/SEARCH, dat als enige officieel de zaden verkocht; deed gouden zaakjes, en had veel meer vraag dan aanbod…

Meer specifiek is ‘glass gem’ een ‘flint corn’ type van mais, om maismeel vGGan te maken dus, en dat om duidelijke redenen ook als siermais te gebruiken is. Het komt uit een warm klimaat en is een trage groeier die een lang groeiseizoen nodig heeft.
Op zich dus ook niet het meest ideale ras om hier in de lage landen te kweken dus. Ik was dus eigenlijk helemaal niet van plan om glass gem zelf te proberen, hoe mooi dan ook. ik heb meestal al moeite genoeg om gewone groenten met succes op te kweken. Maar plots had ik (via een internationale seedswap) een klein zakje maiskorrels van velerlei kleur in mijn handen met daarop de woorden ‘glass gem’. En als ik de zaadjes toch had leek het mij zonde om niet toch te proberen, al wist ik dat ik beter niet al te veel kon verwachten…

De eerste week van mei 2013 zaaide ikDSCF2284 de voorgeweekte zaden, en de planten kwamen langzaam op, ook omdat de meimaand atypisch koud was. Het werden mooie en gezonde maisplanten die meer dan twee meter hoog werden, en sommige zelfs met meer stammen, iets wat ik nog niet kende van mais. Maar zoals ik al gevreesd had was het ook een heel traag-groeiend ras in ons klimaat…  Aan het einde van de zomer stond de eerste plant in bloei, en ergens in october (!) kon ik de eerste 2 kolven oogsten, die best wel mooi waren maar achteraf nogal atypisch glass gem close-upzouden blijken en meer een veelkleurige pop-corn mais gaven die misschien de moeite waard is apart uit te groeien (zie rechts).

Ergens na half december heb ik de rest maar geoogst, met een deel van de kolven plukrijp maar evengoed veel kolven die maar in het melkstadium waren of die zelfs nog maar babymais waren. De vorst doodde de planten niet snel daarna…

De uiteindelijke oogst was op zich heel divers, met de ene kolf nog mooier dan de andere. Veelkleurig was inderdaad een mooie beschrijving, en de koven blonken ook in de zon als kleine juwelen, zoals de naam zegt. Behalve de typische veelkleurige kolven waren er ook een paar planten die kolven hadden met overwegend helderblauwe korrels. Best leuk op zich, maar of het uiteindelijk alle stress van naar weerberichten kijken waard was weet ik niet…

Een paar bemerkingen:

1. Het is inderdaad een heel mooi maisraglassgemreal1s, dat gaat niemand ontkennen… Bovendien is het ook een heel divers ras, waarbij elke kolf een nieuwe verassing geeft. Of het verder helemaal de hype waard is moeten mensen maar voor zichzelf uitmaken.

2. Glass gem is zoals ik al vermoed had inderdaad niet echt geschikt voor ons klimaat, en ik heb nog geluk gehad op dat vlak dat ik een oogst had. Alleen de vroegste planten waren rijp op een moment dat in sommige jaren alle mais al een hele tijd dood is door de koude!

3. Mais is in de eerste plaats bedoeld om op te eten, en ik moet zeggen dat ik geen enkele ervaring heb met flint corn, en dus ook niet weet wat ik ermee zou moeten doen… Als voedingsgewas is het dus ook niet de meest interessante plant in onze cultuur. Dan kan je beter suikermais kweken of zo…

Volgend jaar iets anders dus. Misschien ga ik proberen wat zaden van die allereerste ‘golden gem popcorn’ uit te groeien, die een stuk vroeger was dan de rest en best mooi was, en verder misschien het genetisch superdiverse ras ‘astronomy domine’, een ontwikkeling van Alan Bischop eens een kans geven en zien wat daaruit komt…

Blauwe variant van glass gem:

glassgemblueDe eerste plant die rijp was, minstens een maand voor de rest en dus waarschijnlijk aan zelfbestuiving gedaan heeft, gaf twee kolven veelkleurige popcornmais waar ik ga mee experimenten:

glass gem 1

bolivianrainbowI think I ordered them from Ebay or so: a small bag of seeds labelled ‘Bolivian rainbow peppers’. A beautiful variety of hot peppers, a dwarf type that has purple flowers and small hot peppers that go from purple to white to yellow to orange to red. A very ornamental and useful edible plant that I looked forward to growing to very much.

But alas, fate decided otherwise for me.

There was something wrong with the seeds from the beginning: I planted 20 seeds hoping to have a lot of plants so I could share some with other people in springtime.

Alas, only one seed germinated. I wouldn’t call a germination rate of 5% a big success. But at least one plant came up, a dwarf pepper plant that seemed to grow quite well on the balcony in the weird summer of 2013. And then it flowered…

Alas, it did not flower with the expected purple flowers, but with regular white ones. The plant was healthy though, and not ugly at all. whatever it was, it was a dwarf pepper plant which would give me some hot peppers, no matter how they’d look. I still hoped for the spectacular colors, but knew it wasn’t likely that this plant was indeed the variety I bought it for.

And the flowers turned into peppers…

Alas, no purple-white-yellow-orange-red peppers, but a plant with long peppers that pointed upwards, like small very hot pili-pili types. Not that ugly either, with the peppers going from pale yellow over orange to the classic red of a lot of hot peppers. I might not have had my five color peppers, but still I did have an interesting variety of hot peppers that was both ornamental and useful to spice up my dishes. At least, that was what I thought…

…until this week…

since most peppers were tupili pili plantbewrning red I thing it was time to start using them. So I used one, assuming it would be quite hot, to spice up my vegetarian (vegan even, we had a guest who’s a vegan) chili-san-carne with tomatillo and fresh shelled scarlet runner beans… But alas, the chili dish was a big success and one of my better dishes I made lately according to those who ate it, but that was not at all because of the hotness of my peppers, since they had no effect at all, no hotness, no pungency.
Yes, the last of my illusions about the the mystery very non-‘Bolivian rainbow’ peppers had to be shattered too: My small red peppers which I though to be something like pili-pili had actually no hotness at all…

I couldn’t believe that there was no hot chili taste at all in my dish, so I tried one of the peppers that was still on the plant. I even ate one of the peppers as a whole, raw, with seeds and all. And indeed: it wasn’t hot at all.

Yes, instead of the 20 multicolored hot rainbow pepper I sowed I got one dwarf pepper plant with ‘sweet pili pili’. Most probably ‘medusa‘ peppers or something of the like. Which is indeed both ornamental and edible, but besides that nothing that I expected or wanted.  I suppose growing sweet ornamental chili peppers is safer if you have small kids (My three-year old daughter finds them fascinating) but I don’t know what uses I would have for sweet peppers this size, except for decorating dishes for special occasions, or doing a prank pretending to eat a whole hot pepper…

Not that I do not like this variety, but next year I’ll try again to grow me some real hot five-color peppers…



glassgelA while ago it was quite overhyped on the internet: a spectacular close-up picture of one ear of corn, with unreal shiny kernels in all kinds of unreal pearly colors. Some people didn’t even believe it was real, and claimed it was photoshopped. Others said it was probably genetically modified or something like that. It seemed that lot of people wanted to grow it, or to have it, but looking online told me that the seed was not widely available at all, and not only hard to get but also unusually expensive, some people on ebay did sell small quantities of it for quite high prices for example.

Now on to reality, Glass gem is a real corn, not photoshopped nor genetically modified, and just a regular open-pollinated race! And also a very variable one, so you can’t expect every comb to carry the same colors of kernels as that one in the spectacular picture. It probably was selected as the most beautiful one of the whole patch that year anyway…

some more down to earth information about the variety: Glass gem is actually a heirloom race of corn based on old Indian races, with an interesting history. It is a multicolored flint corn, with every plant having a different combination of small ears, and seeds approximately the size of unpopped popcorn. It’s (alas) also a race developed in a relatively hot climate (compared to ours) and not the earliest race, needing officially 120-130 days to mature.

I saw the pictures and thought it was a very pretty one, but I initially never planned on growing glass gem at all after receiving the info I just quoted, I am not the one to fall for hypes and knew it was quite a slow grower, so probably not fit at all for our Belgian climate. Moreover, the seeds on ebay were generally in the category of ‘obscenely high priced’, and it’s a flint corn after all, a type of corn I don’t know how to use. Why pay so much for a decorative corn???

And then, in a weird twist of fate, I suddenly and unexpectedly had glass gem seeds in my hands, 2 small packets even, one packet thanks to smart seeds, and a second one one came from a seed-swap. strange to realise that I had the seeds of the overhyped ‘most spectacular corn in the word’ photograph’, the a lot of people seemed to want to pay extreme prices for, so what could else I do but try to grow it as good as I could? In the beginning of may I planted the seeds I had, and the plants progressed slowly but they looked strong and healthy, and suite prolific. Most plants of this variety have at least 2 ears on them, and some of the bigger plants have more stems (something I haven’t seen before in corn, but then again, I’m not that experienced with corn) but it took the plants like forever to flower, and when the first ears were visible the summer was over.

I’s a very slow corn indeed… Would it yield anything before the killing coldness would take over?

It’s been a vglass gemery warm month of october in 2013 , without any trace of nocturnal frosts, and the plants are still healthy and growing. This I harvested my first 2 ears (see left), so I can give my first impressions now, and I begin here:
I do think that it is indeed a beautiful corn, but not for here, and I wonder if the hype is worth it.

So what are my thoughts on glass gem?

1.) sloooooow: ‘glass gem’ is too slow a grower for our climate, officially 120-130 days but it even took longer here. Also because the month of may was unusually cold (I planted them on the 5th, they only came up at the end of the month…) but I’m lucky that we didn’t have any frost yet and that the weather is still unusually war for the end of october. Hopefully more corn will ripen before the winter kills my plants…It is a strong grower that looks quite healthy and makes a lot of ears though.

glass gem 12.) beautiful: ‘glass gem’, on the other pictures (not that one hyped one) is a very diverse multi-colored corn with small pop-corn size kernels. The plant that I harvested had mostly colors in a weird kind of soft yellow, with some reddish and dark colors. It is indeed beautiful and shiny in a way I haven’t seen in any corn. Worth the wait, but was it worth the stress and looking the weather?

3.) Is it useful?: If I do get a decent harvest still in spite of everything, what do I do with it? Except from seed-saving and decoration, what can I use it for?(I’m not the guy to rip off people on ebay by selling seeds of a supposed ‘miracle corn’ for an enormous amount of money, that wouldn’t feel right!) Yes, it’s edible as a flint corn, to make flour, but I have no idea what I should do with that. The use as popcorn seems to be contested.
(And what am i growing corn anyway? We don’t eat much corn since my eldest daughter is corn-intolerant and can’t eat it…)

Verdict: it was a fun experiment that seems to be turning out okay in the end (although I was despairing most of the time that it would yield anything at all), Glass gem is indeed the most beautiful corn I’ve ever seen, but it’s not fit at all for our climate, and I don’t exactly know what to do with it except maybe for lending the combs to amateur photographers who can make better pictures of it than I am possible to make.
Next year I’ll probably try something else (Alan Bishop’s multicolored genetically superdiverse ‘astronomy domine‘ sweetcorn might be a good idea for the corn department…).

glass gem close-up