For those who are in for a seed swap; here is my share list for this winter/ Als iemand zaden wil ruilen, hier is mijn lijst voor deze winter.

Hortus Brambonii seeds:

Boon ‘monastic coco’ (Phaseolus vulgaris)
Voor het tweede jaar op rij een heel zeldzame en niet commercieel verkrijgbare Engelse heirloom ‘pea bean’, die gegeten kan worden als groene peulen (een beetje als korte snijbonen), als vers gedopte boontjes of als droogboon met stevige smaak. Redelijk vroeg voor een droogboon, met zaden met een mooi bruinpaars yin-yang patroon (‘calypso’). De originele naam komt van het feit dat dit ras oorspronkelijk als gedroogde boon (‘coco’) gekweekt werd in kloosters (‘monastic’).
Bean ‘monastic coco‘ (Phaseolus vulgaris)
For the second year I4mhonored to be able to share this rare and not commercially available English heirloom ‘pea bean’, which can be eaten as green pods, as freshly shelled beans or as dried beans. It is fairly early for a drying bean, and the seeds have a decorative brown-purplish yin-yang (‘calypso’) pattern. The namce comes from the fact that this was a dry bean (‘coco’) grown in monasteries (‘monastic’)

Boon ‘Hidatsa’ (Phaseolus vulgaris)
Ook een niet makkelijk te vinden, ditmaal een van oorsprong Indiaans droogboontje dat op veel vlakken gelijkaardig is aan de ‘monastic coco’. De boontjes zijn misschien iets groter en half wit- half lichtbruin gevlekt van tekening, en zijn nog net iets vroeger rijp zelfs, maar verder is het evengoed een interessant staakboontje met heel smakelijke korte snijboon–vormige peulen die ook als verse dop-boon en droogboon lekker zijn, en bovendien ook heel mooi!
Bean ‘Hidatsa’ (Phaseolus vulgaris)
Another one that isn’t easy to find, this one being a heirloom from the native Americans. (‘Hidatsa’ is the name of the tribe that originally grew them). Quite similar to ‘monastic coco’ but with a different ‘painting’ on the beans (half white, half spotted with brown and grey), the beans are a tiny bit bigger and they grow maybe a little bit earlier even. Pole bean with very tasty green pods, with tasty beens that are good as freshly shelled bean and dry bean.

Boon ‘rattlesnake’ (Phaseolus vulgaris)
Een meer bekende ‘heirloom’, en ook een interessante staakboon,: de bleke peulen met paarse vegen zijn jong als snijboon bruikbaar, en ook de bruine gestreepte bonen zijn lekker als droogboon. Groeit goed in ons klimaat.
Bean ‘rattlesnake’ (Phaseolus vulgaris)
This is a less obscure but still very interesting heirloom pole bean. The pods are pale yellow wth sometimes purple spots, and quite tasty, and the brown striped seed are good as a dry bean. Grows well in our climate.

Tuinmelde ‘tricolor’ (Atriplex hortensis)
Een mooie meerkleurige variant van tuinmelde, dat even goed groeit als de gewone groene of rode varianten maar een stuopvallender is., Niet alleen mooi, maar natuurlijk ook een lekkere spinaziegroente. Oud erfgoedras verkregen via Belle epoque Meisse.
Aroche ‘tricolor’ (Atriplex hortensis)
A more decorative varity of aroche, with the same characteristics as the usual green or red version, but more eye-catching. But in the end it’s not an ornamental, but as a spinach-like leaf vegetable. Old heirloom, originally via Belle Epoque Meisse.

Gouden peultjes ‘golden sweet’ (pisum sativum)
Peultjes of sluimerwten, maar dan met een goudgele kleur. Ook de rest van de plant heeft een interessant kleurenpalet trouwens en valt zeker op in de moestuin. Hoge klimmende erwt, die dus ondersteuning nodig heeft bij het groeien. Als de erwten voorbij het peultjes-stadium geraken zijn ze ook eetbaar als doperwt of als gedroogde erwt.
Dit ras zou oorspronkelijk uit Indië komen en deze of een heel verwante variëteit zou door Gregor Mendel gebruikt geweest zijn bij het onderzoek waarbij de erfelijkheidswetten ontdekt werden.
Golden snowpeas ‘golden sweet’ (pisum sativum)
These are snowpeas with a golden yellow color. The rest of the plant also has interesting colors, and does surely stand out in a vegetable garden. It’s a high climbing type of pea, that needs a trellis to grow. If they get beyond the snowpea stage they peas can be eaten as freshly shelled peas too or as dried peas.
This race is said to originate in India, and this one or a very similar variety was used by Gregor Mendel when he discovered his laws of inheritance.

Siermais ‘glass gem corn’ (Zea mays) (2013)
De ‘mooiste mais ter wereld’ volgens sommigen, en een hype op bepaalde internet-sites (google de naam maar), maar heeft een heel lang seizoen nodig en dus niet helemaal geschikt voor ons klimaat. Ook bruikbaar voor maismeel.
‘glass gem corn’ (Zea mays) (2013)
This is said to be ‘the most beautiful corn in the world by some, and quite hyped on certain internet sites (just google the name) but it requires a long growing season and isn’t that adapted to our climate. Useful for corn meal.

Boomspinazie ‘magentaspreen‘ (Chenopodium giganteum)
Mooie en fors groeiende ganzenvoetsoort die heel lekker is als spinazie, en waar je een hele zomer oogst aan hebt als hij eenmaal op gang is tot hij begint te bloeien. Wordt vlotjes meer dan twee meter hoog in goede zomers! Lichtkiemer, dus zaden nooit met grond bedekken.
Tree spinach ‘mangetanspreen’ (Chenopodium giganteum)
Beautiful and prolifically growing goosefoot that can be used as a tasty spinach. It will yield a lot throughout the summer untill it starts blooming, and can grow over 2 meter in a good summer. It needs light to germinate, so never cover the seeds.

Epazote (Chenopodium ambrosioides)
De andere Nederlandse naam is heel bedrieglijk ‘welriekende ganzenvoet’, maar onder de Mexicaanse naam wordt hij gebruikt in de Mexicaanse keuken als een keukenkruid in bonenschotels dat de verteerbaarheid van bonen verbeterd. De plant heeft een zeer sterke geur die door sommigen te sterk gevonden wordt.
Epazote (Chenopodium ambrosioides)
This plant is used as a herb in the Mexican cuisine and is said to make beans easier to digest. The plant has a very strong smell, that isn’t liked by everyone.

Tuinboon ‘black Russian’ (Vicia faba) (2013)
Een tuinboon met middelgrote diep paarse zaden, die bij drogen bijna zwart worden. Groeit goed hier. (Verkregen via Belle Epoque Meisse.)
Fava bean ‘black russian’ (Vicia faba) (2013)
A Fava bean with medium-sized dark purple seeds, that turn to almost black when dried. Grows very well in our climate. (Originally via Belle Epoque Meisse)

Ik heb ook nog wat knollen van oca (Oxalis tuberosus) en op verzoek ook aardpeer ‘knobbelmonster’ (Helianthus tuberosus) en enkele andere onbenoemde rassen.
I also have soe oca-tubers (Oxalis tuberosus) and Jerusalem artichoke (Helianthus tuberosus) ‘knobbelmonster’ and un-named races by request.

Andere eigen zaden/other own seeds:

Atriplex hortensis orache (green or red) tuinmelde

Chenopodium album lambsquarters/melganzenvoet

Chenopodium pallidicaule – caniwa

Chrysanthemum coronarium shungiku/edble chrysanthemum

Cucurbita maxima ‘Hokkaido green’ pumpkin/pompoen

Cucurbita maxima ‘Hokkaido red kuri’ pumpkin/pompoen

Diplotaxis tenuiufolium perennial aragula/doorlevende raketsla

Helianthus tuberosus Jerusalem artichoke/aardpeer August flowering mix (real seed! selection for tuber quality needed)

Malva moschata musk mallow/muskuskaasjeskruis

Malva sylvestris common mallow/groot kaasjeskruid

Malva verticillata Chinese mallow leaves/dessertbladen

Lapsana communis nipplewort/akkerkool

Passiflora edulis ‘granadilla’

Pastinaca pastinaak/parsley

Phaseolus coccineus ‘scarlet runner’ pronkboon

Phaseolus vulgaris ‘wieringer’ dwarf beans/lage bonen (Dutch heirloom)

Tragopogon porrifolus salsify/haverwortel

Zea mays ‘glass gem’ blue selection corn/mais

Zea mays ‘painted mountain’ corn/mais

Zea mays ‘painted mountain’ morado very dark selection corn/mais

Other seed I can share include:

Amarantus cruentus (?) seed amaranth

Amaranthus gangeticus (?) red leaf amaranth

Atremisia absintum wormwood/absint-alsem

Beta vulgaris ‘chioggia’ striped beets/gestreepte bietjes.

Brassica carinata ‘Texcel greens’ kale/bladkool

Brassica juncea lea mustard/bladmosterd

Brassica oleracea ‘chou de Jalhay’ rare heirloom asparagus kale from Wallonia/zeldzame Waalse gebleekte bladkool/

Capsicum ‘thai very hot’

Cucumis sativus ‘little green of paris’ pickle cucumber/augurk

Cucurbuta moschata butternut squash/pompoen

Hibiscus sabdariffa roselle

Lepidium sativum peppercress/tuinkers

Perilla ‘britton’ shiso

Sinapsis album mustard seed/mosterdzaad

(And small quantities of Hablitzia and Withania)

Advertenties

(Nederlandse versie hier)

Passiflora is a genus of several hundred species of plants, known for its unique and sometimes quite spectacular flowers, and therefore popular with lovers of exotic plants. Different species are used in different ways: The common passion fruit (P. edulis) is eaten as a fruit, while P. Incarnata is used in herbal medicine as a sedative. But most species are just grown for their beautiful flowers.

passicae

Passiflora caerulea – blue passionflower

Here in this corner of Europe that’s not without problems: Passion flowers are very beautiful and generally fast-growing climbing plants, but they often need tropical or subtropical climates to thrive. So here in Flanders we’re just at or just below the Northern Border for the most cold-resistant passion flowers that grow well outdoors. There are some species that grow reasonably outside here, until a very severe winter shows up that is. The common blue passionflower (P. caerulea) is the best-known species here and also the best-adapted to our climate. The maypop, Passiflora incarnata can survive even colder winter temperatures, but it completely freezes off in cold climates every winter and then needs to grow back completely from the roots, needing summers more hot than ours to have much flowers and fruits.

(I leave out the northernmost species P. Lutea here, the yellow passionflower which has no ornamental value and is reportedly not the easiest plant to grow.)

DSCF0824

Tucumanese passionflower – Passiflora tucumanensis

There are a number of hybrids and ornamental varieties that are grown, some of which very nice. But there is also another less known wild species that should be almost like P. Caerulea when it comes to coldhardiness, the P. Tucumanensis (sometimes called P. Naviculata). This is a South American species that grows in mountain areas and so is accustomed to cooler temperatures.

The Tucumanese passionflower, as its name can be translated, is named after the Argentine province of Tucuman. It has small soft-green ternate lobed leaves and hanging passion flowers, slightly smaller than those of the blue passionflower. The flowers, that are only open for one day, have a spectacular purple-white corona.

Earlier his summer I had ordered a plant of this and some other species from de passifloratuin, and today the Tucumanese Passionflower is the first of those plants that blooms. It is stil to be seen how well it does in the long run, but of all my Passiflora plants I have here now it is the one that continued to grow most in August which was exceptional cold and wet… So maybe it’s indeed a plant that can withstand cooler summers. We will still have to wait and see what happens in and after the winter though…

DSCF0832

Tucumanese Passionlfower – Passiflora tucumanensis

But there is more: If we look edible fruit this one might actually also be interesting. The fruits are described as small, but with a very delicate aromatic flavor which is even better than the common passion fruit. What makes it more interesting here than P. Incarnata which generally needs a longer and much hotter growing season to form ripe fruit than we have, and P. Caerulea which sets fruit here, but is not known for its good taste … (and all hybrids, which have reduced fertility, which is not very convenient if you like to have a lot of fruit)
The problem here is that Passiflora-species are generally self-incompatible, so you need at least two genetically different plants (that means no clones which come from cuttings taken from the same mother plant) and I have only one at the moment …

But we’re working on that, so probably this story will be continued one day… The first impressions of the Tucumanese passionflower are very positive right now though…

(English version here)

Passiflora is een geslacht van enkele honderden soorten planten met unieke en soms heel spectaculaire bloemen, dat geliefd is bij liefhebbers van exotische planten. Verschillende soorten worden op verschillende manieren gebruikt: De gewone passievrucht (P. edulis) wordt gegeten als fruit, terwijl P. Incarnata in de kruidengeneeskunde gebruikt wordt als kalmerend middel. Maar de meeste soorten worden natuurlijk gekweekt om hun mooie bloemen.

passicae

Passiflora caerulea – blauwe passiebloem

En daar zitten we hier in de lage landen met een moeilijkheidje: Passiebloemen zijn heel mooie en over het algemeen sterk groeiende klimplanten, maar ze hebben tropische of subtropische klimaten nodig om goed te gedijen. We zitten dus net op of onder de Noordgrens voor de meest koudebestendige passiebloemen die goed buiten groeien. Er zijn een aantal soorten die het redelijk buiten doen hier, tot er een elfstedentochtwinter opduikt toch, waarvan de gewone blauwe passiebloem (P. Caerulea) de bekendste en de best aan ons klimaat aangepaste is. Passiflora incarnata kan op zich tegen koudere wintertemperaturen maar vriest in koude klimaten elke winter helemaal af en heeft hete zomers nodig om terug tot bloeien en vruchtzetten te komen.

(We laten de Noordelijkste soort P. Lutea, de gele passiebloem, even buiten beschouwing, die geen sierwaarde heeft en naar verluidt ook niet de makkelijkste plant is.)

DSCF0824

Passiflora tucumanensis – Tucumanse passiebloem

Er zijn een aantal kruisingen en siervarianten die gekweekt worden, waarvan sommige heel mooie. Maar er is ook nog een andere minder gekweekte wilde soort die ongeveer even koudebestendig zou moeten zijn als P. Caerulea, de P. Tucumanensis (soms P. Naviculata genoemd). Dit is een Zuid-Amerikaanse soort die in berggebieden groeit en dus aan koelere temperaturen gewend is.

DE Tucumaanse passiebloem, zoals zijn naam vertaald kan worden, is genoemd naar de Argentijnse provincie Tucuman. Het is een soort met kleine zachtgroene drietallig gelobde bladeren en hangende passiebloemen die iets kleiner zijn dan die van de blauwe passiebloem. De bloemen, die zoals bij andere soorten één dag open zijn, hebben naar achter geslagen bloembladeren en een spectaculair paars-witte corona.

Midden deze zomer had ik een plantje van deze en enkele andere soorten besteld bij de passifloratuin, en vandaag is dit de eerste van mijn planten die bloeit. Het is natuurlijk afwachten hoe goed hij het in praktijk doet, maar van al mijn Passiflora-planten die ik nu heb staan is het degene die het meeste is blijven groeien in Augustus… Dus misschien is het inderdaad wel een plant die tegen koelere zomers kan. De winter zullen we natuurlijk nog moeten afwachten…

DSCF0832

Passiflora tucumanensis – Tucumaanse passiebloem

Als we kijken naar een kans om eetbare vruchten te hebben zou deze ook wel eens interessant kunnen zijn. De vruchten worden beschreven als klein, maar met een heel fijne aromatische smaak die zelfs beter is als de gewone passievrucht. Wat hem interessanter maakt dan P. Incarnata die over het algemeen een langer en heter groeisseizoen nodig heeft om vruchten te vormen dan wij hebben, en P. Caerulea die vrucht zet maar niet bekend staat om zijn goede smaak… (en alle kruisingen, die een verminderde vruchtbaarheid hebben wat niet handig is als je graag fruit hebt)
Het probleem is wel dat Passiflora zelf-incompatibel is en je minstens twee genetisch verschillende planten nodig hebt (Dus geen klonen die van dezelfde moederplant gestekt zijn) en ik heb er maar één momenteel…

Maar daar wordt aan gewerkt, dus waarschijnlijk wordt dit ooit vervolgd… De eerste indrukken van de Tucumaanse passiebloem op dit moment zijn in ieder geval positief…

(Nederlandse versie hier)

This wcourgettedingesell-shaped zucchini comes from a plant in my pumpkin patch although I didn’t plant anything like this, and I honestly have no idea what the plant it comes from was supposed to be, since the label is unreadable now… That doesn’t mean that it’s not pretty good taste-wise, and not ugly either… I did harvest more than one of these fruits from that plant already, and it’s not a bad yielder. I also used some leaves together with other Cucurbita-green in a fine African pumpkin leaves-peanut stew, which i still recommend very much by the way. I still make it with chicken satay and rice, but someday I will try it with fufu.

But let’s go back to my green zucchini here. I don’t know what I originally planted, but it is clear that it comes from impure zucchini seeds. The plant has a semi-bushy way of growth, only growing out a bit more than a normal courgette plant, so I suppose it is a cross between a standard green bush zucchini and other Cucurbita pepo that is not growing bushy, with broader fruit. I suspect it to be something like a spaghetti squash, but I’m not sure at all of that. There are many types of squash besides of long and round zucchini within the species C. pepo, like spaghetti squash, pattypan squash and certain pumpkins. But there are also varietiest that are bred as ornamental gourds’.

And that bit required a warning: some of those ornamental forms of C. pepo are not edible, because they are very bitter by the presence of the rather dangerous cucurbitine. So it can be dangerous to eat just any gourdlike suqash of unknown origin. Fortunately cucurbitine is easily recognizable by the bitter taste so most people won’t eat it.

But it remains important to be very careful with C. Pepo squashes that do not look like the mother plant because their father is soe unknown pollinator, and they must therefore be tasted with great suspicion (by someone who can distinguish a bitter taste well) before it is eaten and served to others…

So if you should ever encounter a bitter zucchini, squash, spaghetti squash or the like, do not eat it, but immediately pull out the plant itself so it won’t pollinate any of the others (in case you take seed)! And do not take any seed of C. pepo variants if bitter plant were close when they were pollinated and the fruits were formed. Also never take C. pepo seed from uncontrolled pollination when bitter gourds grew nearby.

This bit holds true especially for pumpkin varieties of the genus Cucurbita pepo. There are no bitter varieties grown of the other species of the genus. So C. maxima (most winter squashes including giant pumpkins and hokkaido varieties), C. moschata (butternut), and possibly C. ficifolia and C. mixta do not pose the same no such risk.

But still, never eat a bitter squash, kids…

(English version here)

Deze welgevormde courgettecourgettedinges komt van een plant in mijn pompoenveldje die daar ongeïnviteerd dit soort van vruchten produceert. Ik heb er eerlijk gezegd geen idee van wat er eigenlijk had moeten staan, want het labeltje is onleesbaar… Dat neemt niet weg dat hij best lekker is, en niet echt lelijk ook niet… ‘k Heb al wat exemplaren van de plant kunnen oogsten ook. En een keer wat bladeren gebruikt met ander Cucurbita-groen in een fijne Afrikaanse pompoenbladeren-pindakaas-stoofpot, wat nog steeds een aanrader is trouwens. Ik maak hem nog steeds met kipspiesjes en rijst, maar ooit ga ik eens proberen met fufu.

Maar het ging over mijn groen courgette-monster hier. Ik weet niet wat ik oorspronkelijk gezaaid heb, maar het is duidelijk dat het rasonzuiver courgette-zaad was. De plant heeft een half-bossige maar iets verder uitgroeiende groeiwijze dan een normale courgetteplant, dus ik veronderstel dat het een kruising is tussen een standaard groene struikcourgette en een andere Cucurbita pepo die niet struikvormig groeit en brede vruchten heeft. Ik vermoed dat het iets als een spaghettipompoen geeest kan zijn, maar zeker ben ik niet. Er zijn behalve veel typen lange en ronde courgettes ook pompoenen die bij C. pepo horen, en de spaghettipompoen en patisson zijn ook allemaal deel van dezelfde soort. Maar er zijn ook rassen die als ‘sierkalebassen’ gekweekt worden.

En daar hoort een waarschuwing bij: sommige van die siervormen van C. pepo zijn niet eetbaar, en zijn heel bitter door de aanwezigheid van het nogal gevaarlijke cucurbitacine. Zomaar eender welke pompoenachtige van onbekende oorsprong opeten kan dus gevaarlijk zijn. Gelukkig dat het cucurbitine makkelijk te herkennen is aan een bittere smaal. Maar een C. pepo die er niet uitziet als de moederplant met onbekende bestuiver moet dus met veel wantrouwen geproefd worden (door iemand die bitter goed kan onderscheiden) voor hij opgegeten en aan anderen voorgezet wordt wordt.

Als je dus ooit een bittere courgette, pompoen, spaghettipompen of dergelijke zou tegenkomen, niet opeten en plant meteen uittrekken zodat hij niets bestuift van de anderen (ingeval je zelf zaad neemt)! En geen zaad nemen van alle C. pepo-varianten die in de buurt stonden en vruchten gevormd hebben terwijl de bittere plant bloeide. En nooit C. pepo zaad nemen van ongecontroleerde bestuiving als er bittere sierkalebassen in de buurt staan natuurlijk.

Dit geldt trouwens vooral voor pompoenenachtigen van de soort Cucurbita pepo. Van de andere soorten van het geslacht zijn geen bittere rassen in omploop normaalgezien, dus C. maxima (de meeste winterpompoenen inclusief reuzenpompoenen ne hokkaido-rassen), C. moschata (muskuspompoen, butternut), en eventueel C. ficifolia en C. mixta zijn niet zo’n risico.

 

Ik had ze al een paar keer lang glassgelzien gaan op het internet: een foto van een maiskolf met korrels die in alle surrealistische kleuren schitteren waaraan de naam ‘glass gem’ verbonden was. Het was niet zoals sommigen dachten een oefening in fotoshop-techniek, noch een vorm van genetische manipulatie. Blijkbaar wel een uitzonderlijk mooi maisras, wat de meeste andere foto’s van dat ras online gaven kolven van heel veel verschillende kleuren die blinken als kleine edelstenen… Bij wat meer rondkijken op het internet bleek het een ras met genen van oudere indianenrassen die op die manier van uitsterven gered werden door Carl Barnes, zelf half Cherokee. Dankzij het internet werd dit niet zomaar een liefhebberij, maar foto’s van zijn mais gingen viraal omdat ze zo spectaculair waren. Glass gem was klaarblijkelijk zelfs zo populair dat tijdens het hoogtepunt van glass gem als internetfenomeen in 2012 mensen belachelijk hoge prijzen betaalden voor belachelijk lage hoeveelheden zaadjes op ebay. Het zaadbedrijf Native seeds/SEARCH, dat als enige officieel de zaden verkocht; deed gouden zaakjes, en had veel meer vraag dan aanbod…

Meer specifiek is ‘glass gem’ een ‘flint corn’ type van mais, om maismeel vGGan te maken dus, en dat om duidelijke redenen ook als siermais te gebruiken is. Het komt uit een warm klimaat en is een trage groeier die een lang groeiseizoen nodig heeft.
Op zich dus ook niet het meest ideale ras om hier in de lage landen te kweken dus. Ik was dus eigenlijk helemaal niet van plan om glass gem zelf te proberen, hoe mooi dan ook. ik heb meestal al moeite genoeg om gewone groenten met succes op te kweken. Maar plots had ik (via een internationale seedswap) een klein zakje maiskorrels van velerlei kleur in mijn handen met daarop de woorden ‘glass gem’. En als ik de zaadjes toch had leek het mij zonde om niet toch te proberen, al wist ik dat ik beter niet al te veel kon verwachten…

De eerste week van mei 2013 zaaide ikDSCF2284 de voorgeweekte zaden, en de planten kwamen langzaam op, ook omdat de meimaand atypisch koud was. Het werden mooie en gezonde maisplanten die meer dan twee meter hoog werden, en sommige zelfs met meer stammen, iets wat ik nog niet kende van mais. Maar zoals ik al gevreesd had was het ook een heel traag-groeiend ras in ons klimaat…  Aan het einde van de zomer stond de eerste plant in bloei, en ergens in october (!) kon ik de eerste 2 kolven oogsten, die best wel mooi waren maar achteraf nogal atypisch glass gem close-upzouden blijken en meer een veelkleurige pop-corn mais gaven die misschien de moeite waard is apart uit te groeien (zie rechts).

Ergens na half december heb ik de rest maar geoogst, met een deel van de kolven plukrijp maar evengoed veel kolven die maar in het melkstadium waren of die zelfs nog maar babymais waren. De vorst doodde de planten niet snel daarna…

De uiteindelijke oogst was op zich heel divers, met de ene kolf nog mooier dan de andere. Veelkleurig was inderdaad een mooie beschrijving, en de koven blonken ook in de zon als kleine juwelen, zoals de naam zegt. Behalve de typische veelkleurige kolven waren er ook een paar planten die kolven hadden met overwegend helderblauwe korrels. Best leuk op zich, maar of het uiteindelijk alle stress van naar weerberichten kijken waard was weet ik niet…

P1060452
Een paar bemerkingen:

1. Het is inderdaad een heel mooi maisraglassgemreal1s, dat gaat niemand ontkennen… Bovendien is het ook een heel divers ras, waarbij elke kolf een nieuwe verassing geeft. Of het verder helemaal de hype waard is moeten mensen maar voor zichzelf uitmaken.

2. Glass gem is zoals ik al vermoed had inderdaad niet echt geschikt voor ons klimaat, en ik heb nog geluk gehad op dat vlak dat ik een oogst had. Alleen de vroegste planten waren rijp op een moment dat in sommige jaren alle mais al een hele tijd dood is door de koude!

3. Mais is in de eerste plaats bedoeld om op te eten, en ik moet zeggen dat ik geen enkele ervaring heb met flint corn, en dus ook niet weet wat ik ermee zou moeten doen… Als voedingsgewas is het dus ook niet de meest interessante plant in onze cultuur. Dan kan je beter suikermais kweken of zo…

Volgend jaar iets anders dus. Misschien ga ik proberen wat zaden van die allereerste ‘golden gem popcorn’ uit te groeien, die een stuk vroeger was dan de rest en best mooi was, en verder misschien het genetisch superdiverse ras ‘astronomy domine’, een ontwikkeling van Alan Bischop eens een kans geven en zien wat daaruit komt…

Blauwe variant van glass gem:

glassgemblueDe eerste plant die rijp was, minstens een maand voor de rest en dus waarschijnlijk aan zelfbestuiving gedaan heeft, gaf twee kolven veelkleurige popcornmais waar ik ga mee experimenten:

glass gem 1

bolivianrainbowI think I ordered them from Ebay or so: a small bag of seeds labelled ‘Bolivian rainbow peppers’. A beautiful variety of hot peppers, a dwarf type that has purple flowers and small hot peppers that go from purple to white to yellow to orange to red. A very ornamental and useful edible plant that I looked forward to growing to very much.

But alas, fate decided otherwise for me.

There was something wrong with the seeds from the beginning: I planted 20 seeds hoping to have a lot of plants so I could share some with other people in springtime.

Alas, only one seed germinated. I wouldn’t call a germination rate of 5% a big success. But at least one plant came up, a dwarf pepper plant that seemed to grow quite well on the balcony in the weird summer of 2013. And then it flowered…

Alas, it did not flower with the expected purple flowers, but with regular white ones. The plant was healthy though, and not ugly at all. whatever it was, it was a dwarf pepper plant which would give me some hot peppers, no matter how they’d look. I still hoped for the spectacular colors, but knew it wasn’t likely that this plant was indeed the variety I bought it for.

And the flowers turned into peppers…

Alas, no purple-white-yellow-orange-red peppers, but a plant with long peppers that pointed upwards, like small very hot pili-pili types. Not that ugly either, with the peppers going from pale yellow over orange to the classic red of a lot of hot peppers. I might not have had my five color peppers, but still I did have an interesting variety of hot peppers that was both ornamental and useful to spice up my dishes. At least, that was what I thought…

…until this week…

since most peppers were tupili pili plantbewrning red I thing it was time to start using them. So I used one, assuming it would be quite hot, to spice up my vegetarian (vegan even, we had a guest who’s a vegan) chili-san-carne with tomatillo and fresh shelled scarlet runner beans… But alas, the chili dish was a big success and one of my better dishes I made lately according to those who ate it, but that was not at all because of the hotness of my peppers, since they had no effect at all, no hotness, no pungency.
Yes, the last of my illusions about the the mystery very non-‘Bolivian rainbow’ peppers had to be shattered too: My small red peppers which I though to be something like pili-pili had actually no hotness at all…

I couldn’t believe that there was no hot chili taste at all in my dish, so I tried one of the peppers that was still on the plant. I even ate one of the peppers as a whole, raw, with seeds and all. And indeed: it wasn’t hot at all.

Yes, instead of the 20 multicolored hot rainbow pepper I sowed I got one dwarf pepper plant with ‘sweet pili pili’. Most probably ‘medusa‘ peppers or something of the like. Which is indeed both ornamental and edible, but besides that nothing that I expected or wanted.  I suppose growing sweet ornamental chili peppers is safer if you have small kids (My three-year old daughter finds them fascinating) but I don’t know what uses I would have for sweet peppers this size, except for decorating dishes for special occasions, or doing a prank pretending to eat a whole hot pepper…

Not that I do not like this variety, but next year I’ll try again to grow me some real hot five-color peppers…

Sigh

Bram