archiveren

zelfgekweekt

DSCF1133bis

Het ‘knobbelmonster’, voor mij altijd dé aardpeer geweest…

Ik heb nooit helemaal geweten waar hij juist vandaag kwam, maar vanaf het moment dat ik als kind ‘op den buiten’ ging wonen -na tot mijn 12 in het centrum van Lier gewoond te hebben- hebben de mysterieuze ‘aardperen’ bij ons in de tuin gestaan. In de vroege jaren negentig was og geen sprake van de ‘vergeten groenten’ hype, en was dat dus echt een groente die vergeten en voor veel mensen onbekend was, maar daarom niet minder interessant: Grote planten die bijna drie meter hoog werden en met wat geluk ergens in de herfst nog net bloeiden met kleine zonnebloemetjes voor ze kapotvroren. En vanaf het moment dat het loof verdord is tot wanneer ze terug uitlopen kan je de knollen uit de grond halen om op te eten. Die knollen, de eigenlijke aardperen dus, waren in dit geval paarsrode knobbelige dingen die door hun vorm niet altijd te schillen waren, maar die een aangename schorseneer-achtige snaak hadden, en bijvoorbeeld klaargemaakt kunnen worden op typische Vlaamse wijze met witte saus, worst en aardappelen. Of op duizenden andere manieren heb ik ondertussen ontdekt: gegratineerd, in een dikke soep samen met pastinaak, in stoofschotels of waterzooi-achtige maaltijdsoepen; en ga zo maar door…

DSCF1091

Van links naar rechts: ‘onbenoemde rode uit de supermarkt’, ‘wilde blanke uit Kessel’, ‘knobbelmonster’ (Hortus Brambonii, 2012)

Ondertussen zijn we bijna 25 jaar verder, en hoewel de aardperen in de tuin soms winters achtereen vergeten geweest zijn heb ik ik nog altijd nakomelingen van wat ik kende als ‘de aardpeer’. Het dan ook is een groente die soms makkelijker wel te kweken is dan niet… Achteraf heb ik wel ontdekt dat er meerdere soorten aardperen zijn. Niet alle aardperen zijn even knobbelig en grillig van vorm, en hebben dezelfde paarsrode kleur. De meeste commercieel gekweekte rassen hebben blijkbaar een veel voorspelbaardere vorm, en kunnen soms eerder een bruinwitte of beige kleur hebben. En laten we eerlijk wezen, sommige zijn een stuk makkelijker te schillen dan de grillige knobbelmonsters die we oorspronkelijk in de tuin hadden staan. En er bestaan zelfs rassen dievroeger bloeien…

En toch…

De eerste keer dat ik verschillende rassen uitprobeerde bleek dat mijn knobbelmonster, dat ik bij gebrek aan een rasnaam ondertussen effectief zo gedoopt had, toch nog steeds de moeite waard was in vergelijking met de andere soorten. Niet alleen bleek de smaak bij een smaakproef eigenlijk lekkerder dan mijn andere probeersels, maar ook blijft het een ras met een hoge opbrengst. Bovendien zou hij resistent zijn tegen bepaalde problemen die te grote knollen bij andere rassen soms aantasten. Dat is mij trouwens bevestigd geweest door een internationale kweker die met aardperen werkt en die opgetogen was over de opbrengst, resistentie en smaal van het ‘knobbelmonster’. Wel blijkt hij geen zaad te maken, dus het kan zijn dat het ras steriel is.

IMG_2896

Aardperen daarnet: ‘(Helianthus tuberosus): ‘knobbelmonster (links/midden), ‘wilde blanke uit Kessel’ (linksboven), ‘onbenoemde rode uit de supermarkt’ (rechtsboven), plus zonnenwortel (Helianthus strumosus, rechts)

(Aardperen uit zaad kweken is een leuk experiment trouwens. Je weet niet wat je krijgt wel, en het kan zijn dat je knollen krijgt die redelijk waardeloos zijn. De meeste rassen zijn zelfsteriel wel, wat inhoudt dat je minstens twee soorten nodig hebt die op hetzelfde moment bloeien om zaad te verkrijgen…. Wat niet altijd makkelijk is, de aardpeer is een zonnenbloemsoort die daglengte-afhankelijk is om te bloeien, maar elk ras lijkt op een iets andere daglengte te reageren.)

Tegenover de voordelen van het knobbelmonster staan dan wel een grillige vorm waaraan nog eens een hoop wortels hangt, en een vreemde affiniteit om modder aan te trekken die andere rassen niet op dezelfde manier hebben. Kuisen om te koken kan dus iets meer moeite kosten dan bij andere rassen als de knollen iets groter worden…

Maar ondanks deze minpunten is het toch zeker de moeite om deze ‘heirloom’ te blijven kweken, en te delen met wie er interesse in heeft.

 

Advertenties

De zwarte nachtschade is (zoals ik al eerder schreef) een plant die in dit deel van de wereld vooral gevreesd wordt, terwijl hij in veel andere delen van de wereld gegeten worden, zowel voor de bessen als als bladgroente.
Nu ben ik wel avontuurlijk, maar niet zo avontuurlijk dat ik snel planten ga eten die mijn cultuur al eeuwen vreest als dodelijk giftig. Behalve bekend eetbare stammen zal ik dus ondanks alle informatie die ik ondertussen doorworsteld heb niet snel geneigd zijn om veel zwarte nachtschade te eten…
Een paar jaar geleden ben ik wel uit curiositeit begonnen met het experimenteren met verschillende typen van eetbare zwarte nachtschadebessen. Na het uitproberen van verschillende soorten de afgelopen jaren is het verdict ondertussen duidelijk en een beetje verrassend: De beste eetbare zwarte nachtschade is niet zwart…

Voor we meer uitleg bij de winnaar geven nog even op een rijtje zetten welke nachtschadesoorten ik geprobeerd heb:

De Jaltomato
Deze soort (Jaltom100_2305ato procumbens) hoort niet helemaal in het rijtje thuis, want het is geen soort van het zwarte nachtschade-complex, maar het is wel een eetbare nachtschade-achtige met zwarte bessen. Ik heb er ooit van gezegd dat hij bessen geeft met een smaak waar aan te wennen valt, en hoewel ik aan de smaak gewend ben en hem zeker kan waarderen nu heb ik er nog steeds niet zoveel mee weten doen ondertussen… Ook is het zo dat de bessen (zeker als de plant teveel schaduw krijgt of teveel weersveranderingen heeft) soms een houterigheid krijgt in sommige bessen.
Op zich dus wel een leuke exotische fruitsoort met een eigen smaak die op zichb zeer de moeite waard is doch moeilijk te beschrijven is, maar de opbrengst is niet zo super hoog, en ik heb nog geen echte recepten gevonden waar hij echt een goede toevoeging geeft. (Op zich zoals de andere hier wel lekker in een crumbel gemengd met appel bijvoorbeeld, of in muffins)

De ‘American garden huckleberry’
Ik blijf bij mijn mening: De AmeAGHberryrikaans egarden huckleberry (Solanum melanocerasum als die naam nog klopt) is inderdaad heel Amerikaans in de zin dat hij heel hoge productie van heel glanzende bessen heeft, en er dus heel antrekkelijk uitziet. Maar de smaak is compleet niet interessant, alles wat hem lekker maakt zijn dingen die je erbij voegt. Platgekookt op deze manier met veel suiker en citroen kan je er inderdaad een soort van blueberry pie mee maken, maar die heeft zijn interessante smaak niet van de bessen zelf…
Al bij al dus niet de meest interessante plant om te kweken… Behalve als je houdt van dingen die je zelf eetbaar moet maken.

Burbank’s ‘wonderberry’
Ik ben nog altijd niet zeker of ik helemaal de juiste plant heb. Officieel heet deze Solanum x burbankii maar velen zeggen dat hij niet te onderscheiden is van De gewone zwarte nachtschade, en ik vermoed eigenlijk dat ik gewoon een eetbare stam van zwarte nachtschade heb. Deze heeft op zich best lekkere bessen (in vergelijking met de vorige) maar in de praktijk is oogsten allesbehalve handig. Ten eerste omdat de bessen eenmaal rijp te zacht zijn en direct kapot zijn, en ten tweede omdat de bessen in één cluster niet allemaal tegelijk rijp worden, en dat er bij overrijpe of rotte bessen dikwijls nog groene bessen in dezelfde cluster zitten. En ook bij eetbare nachtschadesoorten zijn groene bessen giftig… Veel reden heb ik dus niet om deze terug te zetten, al probeer ik misschien nog wel een andere eetbare stam van de zwarte nachtschade dit jaar…

Solanum villosum ‘golden pearls’
bessenSolanum villosum, in het Nederlands soms de donsnachtschade gehoord is een soort die sterk verwant is met de zwarte nachtschade. De grootste verschillen zijn dat deze soort in vergelijking met de gewone zwarte nachtschde een iets zachter en ‘donziger’ uitzicht heeft, en dat de  bessen niet zwart zijn maar goudgeel. Op zich is dat niet zo opzienbarend: ondanks de naam zijn er binnen het Solanum nigrum complex ook soorten of rassen die andere kleuren hebben. Van de gewone zwarte nachtschade is er bijvoorbeeld een rode variant in Indië die ‘red Makoi’ genoemd wordt. (En die ik graag ooit te pakken zou krijgen.)
Deze ‘Golden Pearls’ zijn een geteelde variant die vanaf halfweg de zomer clustertjes met goudgele bessen blijft produceren, die best aangenaam van smaak zijn zoals je van fruit zou mogen verwachten. Bovendien zijn de bessen wat sterker, en  als je ze in clusters oogst geraken ze niet snel beschadigd en kunnen ze op deze manier een hele tijd (liefst gekoeld) bewaard worden. Ook worden de bessen in één cluster meer gelijktijdig rijp dan mijn zwarte variant, wat veel makkelijker is.
De oogst is simpel: je knipt ze cluster bij cluster af. Achteraf als je de bessen verwerkt is het nog even werk om ze van hun steeltjes te halen misschien, en het blijven kleine besjes, maar op zich zijn ze niet zo moeilijk…. Zowel lekker vers uit de hand als snoepertje of door een fruitsla, als verwerkt in allerlei fruitbereidingen een leuk besje. Mijn favoriet is een gouden ‘blueberry-muffin’, gemengd of met alleen deze bessen, die we deze zomer voor het eerst probeerden en nu al een klassieker is…

Verdict
Met stip komen de gouden pareltjes van de donsnachtschade dus boven de andere soorten uit. Lekkere bessen, goed bewaarbaar, en redelijk opbrengst voor zover dat voor een kruid met kleine besjes mogelijk is… Volgend jaar zeker opnieuw,ik heb goed wat zaadjes bewaard…

nightshade muffin

gevulde olijfkommers

Twee soorten gevulde olijfkomkommers. De verse vruchten onderaan zijn evenwel de gewone, en iet de gestekelde.

De stekelige olijfkomkommer (Cyclanthera brachystachya, ook wel ‘fat baby achocha’ genoemd) is een minder bekend familielid van de in kringen van kwekers van ‘vergeten groenten’ ondertussen redelijk populair zijnde olijfkomkommer (). Het is een makkelijk groeiende plant, die nog net iets beter aangepast is aan ons klimaat dan de gewone olijfkomkommer, en die op zich interessant is als groente, al is het zeker geen plant die de wereldhonger zal oplossen.

Olijfkomkommers zijn kleine komkommmer-achtige vruchtjes die aan klimmende planten groeien, en waarvan de oogst meestal pas geod begint ergens in Augustus, totdat de temperatuur ergens in de herfst zo laag wordt dat de planten kapot gaan. Ze kunnen op verschillende manieren gegeten worden: jong zijn ze lekker als komkommer-achtige saladegroente, en wanneer ze eenmaal rijp zijn kunnen ze gevuld worden (in het Engels is ‘stuffing cucumbers’ één van de namen die voor de groente gebruikt worden…) of in stukjes in wokschotels gebruikt worden bijvoorbeeld.

De stekelige olijfkomkommer die ik heb staan geeft vruchten van ongeveer 7-8 cm lang en rond de 5 cm breed, en ziet er misschien een beetje gevaarlijk uit, maar wat eruit ziet als stekels op het eerste gezicht blijken ongevaarlijk zachte uitsteeksels te zijn. Er zijn enkele verschillen met de gewone olijfkomkommer die opvallen. Behalve de bladvorm (handvormig zonder insnijdingen in tegenstelling tot de diep ingesneden bladeren van de gewone olijfkomkommer) valt het op dat de stekelige olijfkomkommer beter tegen lage temperaturen kan, en iets meer maar ook iets kleinere (maar wel dikkere) vruchten produceert.

De plant is makkelijk te kweken op bonenstaken of een klimrek, en kan samen met andere komkommer- en pompoenachtigen buiten gezet worden, en verder op dezelfde manier als de gewone soort gekweekt worden. Het is een eerder probleemloze groente om te kweken waar ik nooit moeite mee gehad heb…cyclanthera

Wat wel zo is bij deze soort is dat de vruchten redelijk snel hol worden, wat ze voor rauw gebruik snel minder interessant maakt, maar ze dan wel heel goed geschikt maakt om te vullen in de oven, beter dan de gewone olijfkomkommer eigenlijk. Als een hapje vooraf of als bijgerecht bijvoorbeeld krijg je een heel origineel ogend en lekker smakend gerecht op je bord dat iedereen zal verassen… De smaak bij warme bereiding zit ergens tussen groene paprika en courgette in, en is heel lekker te combineren met zowel vlees, kaas (Gouda of Cheddar werkt al heel goed!), of met meer vegetarische vullingen…

Er is trouwens een speciale techniek vereist om de stekelige olijfkomkommer open te snijden die wat handigheid vraagt om onder de knie te krijgen, maar eenmaal dat lukt is het makkelijk om ze te vullen. Het is best eerst een snede te maken in de hele lengte, van de steel tot het andere uiteinde, en daar dan in één beweging het steeltje met zaden aan eruit te trekken. Maar dat zie je wel als je probeert. Je kan hem trouwens ook gewoon in reepjes in een wok- of andere schotel doen waar je ofwel paprika of courgette in zou doen…

Al bij al dus een heel onbekende maar redelijk probleemloze groente waar je originele recepten meet kan uitproberen.

Smakelijk

Bram

glassgem2015(English/Dutch)

This is a picture of my complete ‘glass gem’ corn of 2015. I can’t completely blame the Belgian climate though, there should have been at least a few more ripe ears when I harvested this one, but some critter had found my small corn patch and eaten most of it before it was ready 😦

Next years for something else….

Dus dit is een foto van mijn hele oogst aan ‘glass gem’ mais in 2015. Ik kan het Belgische klimaat niet volledig de schuld geven, want eigenlijk hadden er minstens een paar kolven meer rijp moeten zijn wanneer deze geoogst werd, maar één of ander beest had mijn kleine maisbosje gevonden en de meeste mais opgegeten voordat hij zelfs maar rijp was 😦

Volgend jaar iets anders proberen…

 

 

 

Ibonenn alle chaos, tekort aan tijd en andere toestanden zijn er een aantal dingen in de tuin in 2014 die niet echt veel deden. Aan de andere kant waren er een aantal kleine successen, waaronder de verschillende staakbonen die ik had staan, en die grotendeels als ‘dual purpose’ bedoeld waren: zowel voor de jonge peulen als snijboon of prinsessenboon als voor de gedroogde bonen achteraf. En we hebben best wat bootjes gegeten deze zomer, en deze winter hebben we al geregeld gedroogde bonen gegeten…

De meeste van deze bonen zijn rassen van de gewone boon (Phaseolus vulgaris), een soort die interessant is voor ‘seedsaven’ omdat ze aan zelfbestuiving doet en blijkbaar geen bestuivers heeft hier, en dus volledig soortecht terugkomt uit zaad hoeveel je er ook in elkaars buurt hebt staan. Dat is zeker niet bij alle planten zo (sommige zet je beter een halve kilometer uit elkaar als je het ras wil bewaren!) en is niet zo het geval met de pronkbonen (Phaseolus coccineus), waarvan ik dus maar één ras heb staan, of met tuinbonen (Vicia faba), maar wel weer met de gewone erwt (Pisum sativum).

(Niet op de foto, wegens voor de tweede keer niet gelukt, staat de witte Hyacintboon (Lablab purpureus) die ook met zaad van een nieuw ras hier amper tot bloeien kwam. Dat proberen we dus niet meer…)

Welke rassen staan er op deze foto?

“Monastic coco” pea bean:
Eén van mijn favoriete bonen ondertussen, een redelijk obscure Engelse heirloom ‘pea bean’, die oorspronkelijk in kloosters gekweekt werd als droogboon. Voor een staakboon redelijk vroeg, met lekkere peulen die eruitzien als kleine snijboontjes en die ook lekker zijn in dit stadium. De vers gedopte of gedroogde bonen zijn ook best smakelijk, en leuk is dat de bonen gekookt hun roodwitte ‘yin-yang’ tekening redelijk behouden. De smaak van dit type van ‘pea beans’ wordt door Amerikanen soms vergeleken met bacon, wat ik niet helemaal proef, maar het zijn zeker bonen met een eigen smaak en karakter!
Aanradertje! Ik week ze wel een dagje langer omdat hij een beetje onregelmatig is in het weken, maar dat is ook het enige dat ik aan deze boon heb aan te merken.

Brams ‘Accidental pole princess’ cannellini
Een eigen selectie die oorspronkelijk afkomstig is van een afwijkende plant die een aantal jaar geleden opkwam uit een zakje zaad van ‘Helda’ snijbonen. Tussen de snijbonen was er een plant die rijkelijk prinsessenboontjes gaf inplaats van snijbonen, wat ik zo interessant vond dat ik er zaad van bewaard heb waarvan dit nu de derde generatie is. (Of het een mutatie/kruising/afwijking van ‘Helda’ is of een boon van een bestaand ras die verloren gelopen is weet ik niet, maar het is de moeite om hem verder wat de oorsprong ook is) Niet alleen is deze boon lekker als groene boon, maar de gedroogde bonen zelf zijn ook de moeite waard: lekkere witte nierboontjes van het ‘cannelini’-type die heel aangenaam zijn om mee te koken. De plant heeft (net als ‘Helda’) een heel goede opbrengst ook in ons klimaat!

Scarlet runner’ pronkboon
De typische rode pronkboon, die dikwijls als sierplant gekweekt wordt maar evengoed heel bruikbaar is in de keuken. Jong zijn de peulen eetbaar als snijbonen (maar ze worden snel hard) en ook de opvallende zaden zijn eetbaar. Gekookt verliezen de paarse bonen met zwarte strepen het meeste van hun paarse kleur, maar houden ze hun strepen wel grotendeels wat een opvallende toets geeft aan gerechten. Er komen altijd twee typen van zaden voor, één met paars en weinig zwarte strepen, en een ander met veel meer zwarte patronen, maar zonder tussenvormen.
In feite bestaat mijn populatie uit een mix van standaard pronkbonen en zogenaamde ‘Stiense pronkbonen’, die een oud Nederlands ras zouden zijn, maar ik nooit een verschil kunnen zien tussen beiden. Dat pronkbonen (Phaseolus coccineus) enorm aan kruisbestuiving doen in tegenstelling tot de zelfbestuivende gewone boon (P. vulgaris) horen maakt het natuurlijk niet makkelijker om een ras zuiver te bewaren.
De pronkboon is veel toleranter voor kou en slecht weer dan de gewone boon, en in vorstvrije omstandigheden is hij trouwens doorlevend. (Het zou mogelijk moeten zijn de wortels over te houden, maar daar heb ik geen ervaring mee.)

‘Cherokee trail of tears’
Een van oorsprong Indiaans ras waarvan de naam verwijst naar de tragische geschiedenis ervan: deze bonen werden meegenomen door de Cherokee toen ze gedwongen werden om op mensonwaardige manier te verhuizen, en hebben de Indianen geholpen om te overleven op de plaats waarnaar ze gedeporteerd waren. Lekker als prinsessenboom, de bonen zijn groen, paars of gevlekt maar worden bij koken altijd groen. Omdat ik vooral de peulen geoogst heb had ik nog niet genoeg zaden om ze te koken en de smaak te beoordelen, maar de zaden zijn relatief klein en zwart, en zien er een beetje uit als schildpadboontjes…

Staakborlotti:
Ik was helemaal vergeten dat ik een paar zaden van deze tradionele Italiaanse bonen tussen de rest had staan, en had er dus niet op gelet om niet teveel peulen te oogsten om genoeg zaden te kunnen overhouden, maar uiteindelijk bleken er wel wat zaden te zijn, genoeg voor 1 maaltijd en een zaadvoorraadje. Lekkere jonge peulen dus, die er een beetje als paargestreepte sbijbonen uitzien, en natuurlijk heel lekker als droogboon ook die veel toepassingen heeft in de traditionele keuken. Lijkt op ‘pinto’ bonen maar de smaak is anders.

‘Rattlesnake’:
Een speciaal geval deze, met bleke en iets paarsgevlekte snijbonen die best goed van smaak zijn. Ook lekker als droogboon, met mooie bruigestreepte zaden die net zoals pronkbonen de zwarte strepen houden als ze gekookt worden. Aanradertje.
(Ik weet trouwens niet of de naam 100% klopt; mijn zaden hebben de juiste tekening en kleur maar zijn platter dan de meeste ‘rattlesnake’ bonen die ik online of foto’s zie. Blijft een leuk en makkelijk boontje in ieder geval!))

‘Hidatsa’
Volledige naam ‘Hidatsa shield bean’. Ook een erfgoedras van Indiaanse oorsprong, genoemd naar de indianenstam die deze mooie boontjes eerste kweekte. In veel opzichten vergelijkbaar met ‘monastic coco’: vroege staakboon met gelijkaardige kleine snijboon-achtige peultjes die je in dit stadium eigenlijk niet kan onderscheiden van ‘monastic coco’ (en ook heel lekker!) die redelijk ronde en smaakvolle bonen geeft. De bonen zijn nog net iets vroeger rijp zelfs, en de zaden zijn een tikkeltje groter met een andere tekening, half wit half gespikkeld met grijs en bruin.

(English version here)

Passiflora is een geslacht van enkele honderden soorten planten met unieke en soms heel spectaculaire bloemen, dat geliefd is bij liefhebbers van exotische planten. Verschillende soorten worden op verschillende manieren gebruikt: De gewone passievrucht (P. edulis) wordt gegeten als fruit, terwijl P. Incarnata in de kruidengeneeskunde gebruikt wordt als kalmerend middel. Maar de meeste soorten worden natuurlijk gekweekt om hun mooie bloemen.

passicae

Passiflora caerulea – blauwe passiebloem

En daar zitten we hier in de lage landen met een moeilijkheidje: Passiebloemen zijn heel mooie en over het algemeen sterk groeiende klimplanten, maar ze hebben tropische of subtropische klimaten nodig om goed te gedijen. We zitten dus net op of onder de Noordgrens voor de meest koudebestendige passiebloemen die goed buiten groeien. Er zijn een aantal soorten die het redelijk buiten doen hier, tot er een elfstedentochtwinter opduikt toch, waarvan de gewone blauwe passiebloem (P. Caerulea) de bekendste en de best aan ons klimaat aangepaste is. Passiflora incarnata kan op zich tegen koudere wintertemperaturen maar vriest in koude klimaten elke winter helemaal af en heeft hete zomers nodig om terug tot bloeien en vruchtzetten te komen.

(We laten de Noordelijkste soort P. Lutea, de gele passiebloem, even buiten beschouwing, die geen sierwaarde heeft en naar verluidt ook niet de makkelijkste plant is.)

DSCF0824

Passiflora tucumanensis – Tucumanse passiebloem

Er zijn een aantal kruisingen en siervarianten die gekweekt worden, waarvan sommige heel mooie. Maar er is ook nog een andere minder gekweekte wilde soort die ongeveer even koudebestendig zou moeten zijn als P. Caerulea, de P. Tucumanensis (soms P. Naviculata genoemd). Dit is een Zuid-Amerikaanse soort die in berggebieden groeit en dus aan koelere temperaturen gewend is.

DE Tucumaanse passiebloem, zoals zijn naam vertaald kan worden, is genoemd naar de Argentijnse provincie Tucuman. Het is een soort met kleine zachtgroene drietallig gelobde bladeren en hangende passiebloemen die iets kleiner zijn dan die van de blauwe passiebloem. De bloemen, die zoals bij andere soorten één dag open zijn, hebben naar achter geslagen bloembladeren en een spectaculair paars-witte corona.

Midden deze zomer had ik een plantje van deze en enkele andere soorten besteld bij de passifloratuin, en vandaag is dit de eerste van mijn planten die bloeit. Het is natuurlijk afwachten hoe goed hij het in praktijk doet, maar van al mijn Passiflora-planten die ik nu heb staan is het degene die het meeste is blijven groeien in Augustus… Dus misschien is het inderdaad wel een plant die tegen koelere zomers kan. De winter zullen we natuurlijk nog moeten afwachten…

DSCF0832

Passiflora tucumanensis – Tucumaanse passiebloem

Als we kijken naar een kans om eetbare vruchten te hebben zou deze ook wel eens interessant kunnen zijn. De vruchten worden beschreven als klein, maar met een heel fijne aromatische smaak die zelfs beter is als de gewone passievrucht. Wat hem interessanter maakt dan P. Incarnata die over het algemeen een langer en heter groeisseizoen nodig heeft om vruchten te vormen dan wij hebben, en P. Caerulea die vrucht zet maar niet bekend staat om zijn goede smaak… (en alle kruisingen, die een verminderde vruchtbaarheid hebben wat niet handig is als je graag fruit hebt)
Het probleem is wel dat Passiflora zelf-incompatibel is en je minstens twee genetisch verschillende planten nodig hebt (Dus geen klonen die van dezelfde moederplant gestekt zijn) en ik heb er maar één momenteel…

Maar daar wordt aan gewerkt, dus waarschijnlijk wordt dit ooit vervolgd… De eerste indrukken van de Tucumaanse passiebloem op dit moment zijn in ieder geval positief…

(English version here)

Deze welgevormde courgettecourgettedinges komt van een plant in mijn pompoenveldje die daar ongeïnviteerd dit soort van vruchten produceert. Ik heb er eerlijk gezegd geen idee van wat er eigenlijk had moeten staan, want het labeltje is onleesbaar… Dat neemt niet weg dat hij best lekker is, en niet echt lelijk ook niet… ‘k Heb al wat exemplaren van de plant kunnen oogsten ook. En een keer wat bladeren gebruikt met ander Cucurbita-groen in een fijne Afrikaanse pompoenbladeren-pindakaas-stoofpot, wat nog steeds een aanrader is trouwens. Ik maak hem nog steeds met kipspiesjes en rijst, maar ooit ga ik eens proberen met fufu.

Maar het ging over mijn groen courgette-monster hier. Ik weet niet wat ik oorspronkelijk gezaaid heb, maar het is duidelijk dat het rasonzuiver courgette-zaad was. De plant heeft een half-bossige maar iets verder uitgroeiende groeiwijze dan een normale courgetteplant, dus ik veronderstel dat het een kruising is tussen een standaard groene struikcourgette en een andere Cucurbita pepo die niet struikvormig groeit en brede vruchten heeft. Ik vermoed dat het iets als een spaghettipompoen geeest kan zijn, maar zeker ben ik niet. Er zijn behalve veel typen lange en ronde courgettes ook pompoenen die bij C. pepo horen, en de spaghettipompoen en patisson zijn ook allemaal deel van dezelfde soort. Maar er zijn ook rassen die als ‘sierkalebassen’ gekweekt worden.

En daar hoort een waarschuwing bij: sommige van die siervormen van C. pepo zijn niet eetbaar, en zijn heel bitter door de aanwezigheid van het nogal gevaarlijke cucurbitacine. Zomaar eender welke pompoenachtige van onbekende oorsprong opeten kan dus gevaarlijk zijn. Gelukkig dat het cucurbitine makkelijk te herkennen is aan een bittere smaal. Maar een C. pepo die er niet uitziet als de moederplant met onbekende bestuiver moet dus met veel wantrouwen geproefd worden (door iemand die bitter goed kan onderscheiden) voor hij opgegeten en aan anderen voorgezet wordt wordt.

Als je dus ooit een bittere courgette, pompoen, spaghettipompen of dergelijke zou tegenkomen, niet opeten en plant meteen uittrekken zodat hij niets bestuift van de anderen (ingeval je zelf zaad neemt)! En geen zaad nemen van alle C. pepo-varianten die in de buurt stonden en vruchten gevormd hebben terwijl de bittere plant bloeide. En nooit C. pepo zaad nemen van ongecontroleerde bestuiving als er bittere sierkalebassen in de buurt staan natuurlijk.

Dit geldt trouwens vooral voor pompoenenachtigen van de soort Cucurbita pepo. Van de andere soorten van het geslacht zijn geen bittere rassen in omploop normaalgezien, dus C. maxima (de meeste winterpompoenen inclusief reuzenpompoenen ne hokkaido-rassen), C. moschata (muskuspompoen, butternut), en eventueel C. ficifolia en C. mixta zijn niet zo’n risico.