archiveren

Geen categorie

Ibonenn alle chaos, tekort aan tijd en andere toestanden zijn er een aantal dingen in de tuin in 2014 die niet echt veel deden. Aan de andere kant waren er een aantal kleine successen, waaronder de verschillende staakbonen die ik had staan, en die grotendeels als ‘dual purpose’ bedoeld waren: zowel voor de jonge peulen als snijboon of prinsessenboon als voor de gedroogde bonen achteraf. En we hebben best wat bootjes gegeten deze zomer, en deze winter hebben we al geregeld gedroogde bonen gegeten…

De meeste van deze bonen zijn rassen van de gewone boon (Phaseolus vulgaris), een soort die interessant is voor ‘seedsaven’ omdat ze aan zelfbestuiving doet en blijkbaar geen bestuivers heeft hier, en dus volledig soortecht terugkomt uit zaad hoeveel je er ook in elkaars buurt hebt staan. Dat is zeker niet bij alle planten zo (sommige zet je beter een halve kilometer uit elkaar als je het ras wil bewaren!) en is niet zo het geval met de pronkbonen (Phaseolus coccineus), waarvan ik dus maar één ras heb staan, of met tuinbonen (Vicia faba), maar wel weer met de gewone erwt (Pisum sativum).

(Niet op de foto, wegens voor de tweede keer niet gelukt, staat de witte Hyacintboon (Lablab purpureus) die ook met zaad van een nieuw ras hier amper tot bloeien kwam. Dat proberen we dus niet meer…)

Welke rassen staan er op deze foto?

“Monastic coco” pea bean:
Eén van mijn favoriete bonen ondertussen, een redelijk obscure Engelse heirloom ‘pea bean’, die oorspronkelijk in kloosters gekweekt werd als droogboon. Voor een staakboon redelijk vroeg, met lekkere peulen die eruitzien als kleine snijboontjes en die ook lekker zijn in dit stadium. De vers gedopte of gedroogde bonen zijn ook best smakelijk, en leuk is dat de bonen gekookt hun roodwitte ‘yin-yang’ tekening redelijk behouden. De smaak van dit type van ‘pea beans’ wordt door Amerikanen soms vergeleken met bacon, wat ik niet helemaal proef, maar het zijn zeker bonen met een eigen smaak en karakter!
Aanradertje! Ik week ze wel een dagje langer omdat hij een beetje onregelmatig is in het weken, maar dat is ook het enige dat ik aan deze boon heb aan te merken.

Brams ‘Accidental pole princess’ cannellini
Een eigen selectie die oorspronkelijk afkomstig is van een afwijkende plant die een aantal jaar geleden opkwam uit een zakje zaad van ‘Helda’ snijbonen. Tussen de snijbonen was er een plant die rijkelijk prinsessenboontjes gaf inplaats van snijbonen, wat ik zo interessant vond dat ik er zaad van bewaard heb waarvan dit nu de derde generatie is. (Of het een mutatie/kruising/afwijking van ‘Helda’ is of een boon van een bestaand ras die verloren gelopen is weet ik niet, maar het is de moeite om hem verder wat de oorsprong ook is) Niet alleen is deze boon lekker als groene boon, maar de gedroogde bonen zelf zijn ook de moeite waard: lekkere witte nierboontjes van het ‘cannelini’-type die heel aangenaam zijn om mee te koken. De plant heeft (net als ‘Helda’) een heel goede opbrengst ook in ons klimaat!

Scarlet runner’ pronkboon
De typische rode pronkboon, die dikwijls als sierplant gekweekt wordt maar evengoed heel bruikbaar is in de keuken. Jong zijn de peulen eetbaar als snijbonen (maar ze worden snel hard) en ook de opvallende zaden zijn eetbaar. Gekookt verliezen de paarse bonen met zwarte strepen het meeste van hun paarse kleur, maar houden ze hun strepen wel grotendeels wat een opvallende toets geeft aan gerechten. Er komen altijd twee typen van zaden voor, één met paars en weinig zwarte strepen, en een ander met veel meer zwarte patronen, maar zonder tussenvormen.
In feite bestaat mijn populatie uit een mix van standaard pronkbonen en zogenaamde ‘Stiense pronkbonen’, die een oud Nederlands ras zouden zijn, maar ik nooit een verschil kunnen zien tussen beiden. Dat pronkbonen (Phaseolus coccineus) enorm aan kruisbestuiving doen in tegenstelling tot de zelfbestuivende gewone boon (P. vulgaris) horen maakt het natuurlijk niet makkelijker om een ras zuiver te bewaren.
De pronkboon is veel toleranter voor kou en slecht weer dan de gewone boon, en in vorstvrije omstandigheden is hij trouwens doorlevend. (Het zou mogelijk moeten zijn de wortels over te houden, maar daar heb ik geen ervaring mee.)

‘Cherokee trail of tears’
Een van oorsprong Indiaans ras waarvan de naam verwijst naar de tragische geschiedenis ervan: deze bonen werden meegenomen door de Cherokee toen ze gedwongen werden om op mensonwaardige manier te verhuizen, en hebben de Indianen geholpen om te overleven op de plaats waarnaar ze gedeporteerd waren. Lekker als prinsessenboom, de bonen zijn groen, paars of gevlekt maar worden bij koken altijd groen. Omdat ik vooral de peulen geoogst heb had ik nog niet genoeg zaden om ze te koken en de smaak te beoordelen, maar de zaden zijn relatief klein en zwart, en zien er een beetje uit als schildpadboontjes…

Staakborlotti:
Ik was helemaal vergeten dat ik een paar zaden van deze tradionele Italiaanse bonen tussen de rest had staan, en had er dus niet op gelet om niet teveel peulen te oogsten om genoeg zaden te kunnen overhouden, maar uiteindelijk bleken er wel wat zaden te zijn, genoeg voor 1 maaltijd en een zaadvoorraadje. Lekkere jonge peulen dus, die er een beetje als paargestreepte sbijbonen uitzien, en natuurlijk heel lekker als droogboon ook die veel toepassingen heeft in de traditionele keuken. Lijkt op ‘pinto’ bonen maar de smaak is anders.

‘Rattlesnake’:
Een speciaal geval deze, met bleke en iets paarsgevlekte snijbonen die best goed van smaak zijn. Ook lekker als droogboon, met mooie bruigestreepte zaden die net zoals pronkbonen de zwarte strepen houden als ze gekookt worden. Aanradertje.
(Ik weet trouwens niet of de naam 100% klopt; mijn zaden hebben de juiste tekening en kleur maar zijn platter dan de meeste ‘rattlesnake’ bonen die ik online of foto’s zie. Blijft een leuk en makkelijk boontje in ieder geval!))

‘Hidatsa’
Volledige naam ‘Hidatsa shield bean’. Ook een erfgoedras van Indiaanse oorsprong, genoemd naar de indianenstam die deze mooie boontjes eerste kweekte. In veel opzichten vergelijkbaar met ‘monastic coco’: vroege staakboon met gelijkaardige kleine snijboon-achtige peultjes die je in dit stadium eigenlijk niet kan onderscheiden van ‘monastic coco’ (en ook heel lekker!) die redelijk ronde en smaakvolle bonen geeft. De bonen zijn nog net iets vroeger rijp zelfs, en de zaden zijn een tikkeltje groter met een andere tekening, half wit half gespikkeld met grijs en bruin.

Advertenties

For those who are in for a seed swap; here is my share list for this winter/ Als iemand zaden wil ruilen, hier is mijn lijst voor deze winter.

Hortus Brambonii seeds:

Boon ‘monastic coco’ (Phaseolus vulgaris)
Voor het tweede jaar op rij een heel zeldzame en niet commercieel verkrijgbare Engelse heirloom ‘pea bean’, die gegeten kan worden als groene peulen (een beetje als korte snijbonen), als vers gedopte boontjes of als droogboon met stevige smaak. Redelijk vroeg voor een droogboon, met zaden met een mooi bruinpaars yin-yang patroon (‘calypso’). De originele naam komt van het feit dat dit ras oorspronkelijk als gedroogde boon (‘coco’) gekweekt werd in kloosters (‘monastic’).
Bean ‘monastic coco‘ (Phaseolus vulgaris)
For the second year I4mhonored to be able to share this rare and not commercially available English heirloom ‘pea bean’, which can be eaten as green pods, as freshly shelled beans or as dried beans. It is fairly early for a drying bean, and the seeds have a decorative brown-purplish yin-yang (‘calypso’) pattern. The namce comes from the fact that this was a dry bean (‘coco’) grown in monasteries (‘monastic’)

Boon ‘Hidatsa’ (Phaseolus vulgaris)
Ook een niet makkelijk te vinden, ditmaal een van oorsprong Indiaans droogboontje dat op veel vlakken gelijkaardig is aan de ‘monastic coco’. De boontjes zijn misschien iets groter en half wit- half lichtbruin gevlekt van tekening, en zijn nog net iets vroeger rijp zelfs, maar verder is het evengoed een interessant staakboontje met heel smakelijke korte snijboon–vormige peulen die ook als verse dop-boon en droogboon lekker zijn, en bovendien ook heel mooi!
Bean ‘Hidatsa’ (Phaseolus vulgaris)
Another one that isn’t easy to find, this one being a heirloom from the native Americans. (‘Hidatsa’ is the name of the tribe that originally grew them). Quite similar to ‘monastic coco’ but with a different ‘painting’ on the beans (half white, half spotted with brown and grey), the beans are a tiny bit bigger and they grow maybe a little bit earlier even. Pole bean with very tasty green pods, with tasty beens that are good as freshly shelled bean and dry bean.

Boon ‘rattlesnake’ (Phaseolus vulgaris)
Een meer bekende ‘heirloom’, en ook een interessante staakboon,: de bleke peulen met paarse vegen zijn jong als snijboon bruikbaar, en ook de bruine gestreepte bonen zijn lekker als droogboon. Groeit goed in ons klimaat.
Bean ‘rattlesnake’ (Phaseolus vulgaris)
This is a less obscure but still very interesting heirloom pole bean. The pods are pale yellow wth sometimes purple spots, and quite tasty, and the brown striped seed are good as a dry bean. Grows well in our climate.

Tuinmelde ‘tricolor’ (Atriplex hortensis)
Een mooie meerkleurige variant van tuinmelde, dat even goed groeit als de gewone groene of rode varianten maar een stuopvallender is., Niet alleen mooi, maar natuurlijk ook een lekkere spinaziegroente. Oud erfgoedras verkregen via Belle epoque Meisse.
Aroche ‘tricolor’ (Atriplex hortensis)
A more decorative varity of aroche, with the same characteristics as the usual green or red version, but more eye-catching. But in the end it’s not an ornamental, but as a spinach-like leaf vegetable. Old heirloom, originally via Belle Epoque Meisse.

Gouden peultjes ‘golden sweet’ (pisum sativum)
Peultjes of sluimerwten, maar dan met een goudgele kleur. Ook de rest van de plant heeft een interessant kleurenpalet trouwens en valt zeker op in de moestuin. Hoge klimmende erwt, die dus ondersteuning nodig heeft bij het groeien. Als de erwten voorbij het peultjes-stadium geraken zijn ze ook eetbaar als doperwt of als gedroogde erwt.
Dit ras zou oorspronkelijk uit Indië komen en deze of een heel verwante variëteit zou door Gregor Mendel gebruikt geweest zijn bij het onderzoek waarbij de erfelijkheidswetten ontdekt werden.
Golden snowpeas ‘golden sweet’ (pisum sativum)
These are snowpeas with a golden yellow color. The rest of the plant also has interesting colors, and does surely stand out in a vegetable garden. It’s a high climbing type of pea, that needs a trellis to grow. If they get beyond the snowpea stage they peas can be eaten as freshly shelled peas too or as dried peas.
This race is said to originate in India, and this one or a very similar variety was used by Gregor Mendel when he discovered his laws of inheritance.

Siermais ‘glass gem corn’ (Zea mays) (2013)
De ‘mooiste mais ter wereld’ volgens sommigen, en een hype op bepaalde internet-sites (google de naam maar), maar heeft een heel lang seizoen nodig en dus niet helemaal geschikt voor ons klimaat. Ook bruikbaar voor maismeel.
‘glass gem corn’ (Zea mays) (2013)
This is said to be ‘the most beautiful corn in the world by some, and quite hyped on certain internet sites (just google the name) but it requires a long growing season and isn’t that adapted to our climate. Useful for corn meal.

Boomspinazie ‘magentaspreen‘ (Chenopodium giganteum)
Mooie en fors groeiende ganzenvoetsoort die heel lekker is als spinazie, en waar je een hele zomer oogst aan hebt als hij eenmaal op gang is tot hij begint te bloeien. Wordt vlotjes meer dan twee meter hoog in goede zomers! Lichtkiemer, dus zaden nooit met grond bedekken.
Tree spinach ‘mangetanspreen’ (Chenopodium giganteum)
Beautiful and prolifically growing goosefoot that can be used as a tasty spinach. It will yield a lot throughout the summer untill it starts blooming, and can grow over 2 meter in a good summer. It needs light to germinate, so never cover the seeds.

Epazote (Chenopodium ambrosioides)
De andere Nederlandse naam is heel bedrieglijk ‘welriekende ganzenvoet’, maar onder de Mexicaanse naam wordt hij gebruikt in de Mexicaanse keuken als een keukenkruid in bonenschotels dat de verteerbaarheid van bonen verbeterd. De plant heeft een zeer sterke geur die door sommigen te sterk gevonden wordt.
Epazote (Chenopodium ambrosioides)
This plant is used as a herb in the Mexican cuisine and is said to make beans easier to digest. The plant has a very strong smell, that isn’t liked by everyone.

Tuinboon ‘black Russian’ (Vicia faba) (2013)
Een tuinboon met middelgrote diep paarse zaden, die bij drogen bijna zwart worden. Groeit goed hier. (Verkregen via Belle Epoque Meisse.)
Fava bean ‘black russian’ (Vicia faba) (2013)
A Fava bean with medium-sized dark purple seeds, that turn to almost black when dried. Grows very well in our climate. (Originally via Belle Epoque Meisse)

Ik heb ook nog wat knollen van oca (Oxalis tuberosus) en op verzoek ook aardpeer ‘knobbelmonster’ (Helianthus tuberosus) en enkele andere onbenoemde rassen.
I also have soe oca-tubers (Oxalis tuberosus) and Jerusalem artichoke (Helianthus tuberosus) ‘knobbelmonster’ and un-named races by request.

Andere eigen zaden/other own seeds:

Atriplex hortensis orache (green or red) tuinmelde

Chenopodium album lambsquarters/melganzenvoet

Chenopodium pallidicaule – caniwa

Chrysanthemum coronarium shungiku/edble chrysanthemum

Cucurbita maxima ‘Hokkaido green’ pumpkin/pompoen

Cucurbita maxima ‘Hokkaido red kuri’ pumpkin/pompoen

Diplotaxis tenuiufolium perennial aragula/doorlevende raketsla

Helianthus tuberosus Jerusalem artichoke/aardpeer August flowering mix (real seed! selection for tuber quality needed)

Malva moschata musk mallow/muskuskaasjeskruis

Malva sylvestris common mallow/groot kaasjeskruid

Malva verticillata Chinese mallow leaves/dessertbladen

Lapsana communis nipplewort/akkerkool

Passiflora edulis ‘granadilla’

Pastinaca pastinaak/parsley

Phaseolus coccineus ‘scarlet runner’ pronkboon

Phaseolus vulgaris ‘wieringer’ dwarf beans/lage bonen (Dutch heirloom)

Tragopogon porrifolus salsify/haverwortel

Zea mays ‘glass gem’ blue selection corn/mais

Zea mays ‘painted mountain’ corn/mais

Zea mays ‘painted mountain’ morado very dark selection corn/mais

Other seed I can share include:

Amarantus cruentus (?) seed amaranth

Amaranthus gangeticus (?) red leaf amaranth

Atremisia absintum wormwood/absint-alsem

Beta vulgaris ‘chioggia’ striped beets/gestreepte bietjes.

Brassica carinata ‘Texcel greens’ kale/bladkool

Brassica juncea lea mustard/bladmosterd

Brassica oleracea ‘chou de Jalhay’ rare heirloom asparagus kale from Wallonia/zeldzame Waalse gebleekte bladkool/

Capsicum ‘thai very hot’

Cucumis sativus ‘little green of paris’ pickle cucumber/augurk

Cucurbuta moschata butternut squash/pompoen

Hibiscus sabdariffa roselle

Lepidium sativum peppercress/tuinkers

Perilla ‘britton’ shiso

Sinapsis album mustard seed/mosterdzaad

(And small quantities of Hablitzia and Withania)

bolivianrainbowI think I ordered them from Ebay or so: a small bag of seeds labelled ‘Bolivian rainbow peppers’. A beautiful variety of hot peppers, a dwarf type that has purple flowers and small hot peppers that go from purple to white to yellow to orange to red. A very ornamental and useful edible plant that I looked forward to growing to very much.

But alas, fate decided otherwise for me.

There was something wrong with the seeds from the beginning: I planted 20 seeds hoping to have a lot of plants so I could share some with other people in springtime.

Alas, only one seed germinated. I wouldn’t call a germination rate of 5% a big success. But at least one plant came up, a dwarf pepper plant that seemed to grow quite well on the balcony in the weird summer of 2013. And then it flowered…

Alas, it did not flower with the expected purple flowers, but with regular white ones. The plant was healthy though, and not ugly at all. whatever it was, it was a dwarf pepper plant which would give me some hot peppers, no matter how they’d look. I still hoped for the spectacular colors, but knew it wasn’t likely that this plant was indeed the variety I bought it for.

And the flowers turned into peppers…

Alas, no purple-white-yellow-orange-red peppers, but a plant with long peppers that pointed upwards, like small very hot pili-pili types. Not that ugly either, with the peppers going from pale yellow over orange to the classic red of a lot of hot peppers. I might not have had my five color peppers, but still I did have an interesting variety of hot peppers that was both ornamental and useful to spice up my dishes. At least, that was what I thought…

…until this week…

since most peppers were tupili pili plantbewrning red I thing it was time to start using them. So I used one, assuming it would be quite hot, to spice up my vegetarian (vegan even, we had a guest who’s a vegan) chili-san-carne with tomatillo and fresh shelled scarlet runner beans… But alas, the chili dish was a big success and one of my better dishes I made lately according to those who ate it, but that was not at all because of the hotness of my peppers, since they had no effect at all, no hotness, no pungency.
Yes, the last of my illusions about the the mystery very non-‘Bolivian rainbow’ peppers had to be shattered too: My small red peppers which I though to be something like pili-pili had actually no hotness at all…

I couldn’t believe that there was no hot chili taste at all in my dish, so I tried one of the peppers that was still on the plant. I even ate one of the peppers as a whole, raw, with seeds and all. And indeed: it wasn’t hot at all.

Yes, instead of the 20 multicolored hot rainbow pepper I sowed I got one dwarf pepper plant with ‘sweet pili pili’. Most probably ‘medusa‘ peppers or something of the like. Which is indeed both ornamental and edible, but besides that nothing that I expected or wanted.  I suppose growing sweet ornamental chili peppers is safer if you have small kids (My three-year old daughter finds them fascinating) but I don’t know what uses I would have for sweet peppers this size, except for decorating dishes for special occasions, or doing a prank pretending to eat a whole hot pepper…

Not that I do not like this variety, but next year I’ll try again to grow me some real hot five-color peppers…

Sigh

Bram

They were there as long as I aardbei2can remember (which is at least my teenage years) and for some reason I never really wondered what exactly they were because I took them for granted: some kind of small white tasty strawberries that grow as a groundcover in forgotten corners of the garden of my parents.

While the leaves quite stand out, You have to really look for the berries, because the plants form flowers and fruits hidden under the foilage, but if you look for them you find something interesting. Not the most prolific strawberry, nor the biggest one, but you don’t see white strawberries every day, and they have a unique taste, somewhere in between an apricot and a pineaple with a hint of currantberries and even strawberry. Very useful for example if mixed with other summer fruits for a dessert, and adding more flavor. than regular strawberries would.

There’s also somethingaardbei distinct about the plant itself. The leaves look different from both our cultivated and native wild strawberries, with rounded leaves and a different color. The flowers are small like our alpine strawberries, but the fruits are bigger and completely white, almost the size of a cherry, and have a more blocked form, with the seeds not on the surface but in small holes in the fruit. Adding to that the taste and aroma, and you have something unlike any of the regular strawberries.

So what’s their identity? Just a weird heirloom? White strawberries are not that common, and most of them a220px-Pineberriesre just cultivated versions of the alpine strawberry (like ‘white wonder’). There is a more regular white strawberry, called ‘pineberry’ (see picture from wikipedia right), that has entered the market recently, with indeed a taste similar to pine-apple if I can believe the descriptions, but alas, it looks quite different from mine,  a more regularly shaped white strawberry with red seeds on the surface of the fruit. This is not my strawberry at all.

But apparently this new variety is not that new, there apparently are older types pineberries, older even than our common strawberries (Fragaria x annanasa), most of which are quite rare or have disapeared even by now, and they even are around here in Belgium according to this site. I translate the description for you:

origin: This variety originated as an accidental hybrid between Fragaria chiloensis and Fragaria virginiana, and should be one of the oldest strawberry varieties available. (De aardbei, Kronenberg et al, 1949) The variety was obtained in the Netherlands in 1750 and continued to spread in 1762 under the reign of Louis XV.

properties: pinkish white strawberry with special taste and smell. Low fertility.
The fruit is white, medium size and medium ripe time. The flesh is quite soft, juicy and full of flavor. The seeds are somewhat on top of the flesh, and colored reddish brow,. (Strawberry, Kronenberg et al, 1949)

Not that this description does sound completely like my strawberry, but strangely, the picture on the site (which I suppose to be a picture from the pineberries in ‘de tuin van toen’) does look a lot like mine! So there are old pineberries around in Belgium which are similar to mine! Which makes me suppose that I have the name of my little white mystery strawberry nonetheless, in spite of the difference with the new commercial variety: an old pineberry. And possibly even a clone from a plant that is more than a quarter millenium old. Not bad as the background-story for our cite little groundcover, is it?

Now I’m curious what (if anything) comes up from the seeds of this one. And I don’t think I’ll ever forget to harvest this hidden treasure…

peace

Bram

(Dutch version here)

This winter I’ve been seed-swapping around a bit, and that means I’ve also obtained some things that were unknown to me, from all over the world… One of these things is something called ‘garden huckleberries’, a type of edible annual berry-bearing plants that seem to enjoy a naming confusion in both common english names and scientific name. The seeds, of which I only have a zwarte nachtschade1few, arrived from 2 different sources, as ‘Solanum burbankii’ and ‘Solanum melanocerasus’ (and the seeds do look a bit different as well), but if you look those up on google they seem to have a lot of synonyms too. S. burnakii is also known as S. retroflexum and wonderberry or sunberry, and S. melonanocerasum is sometimes seen as a subspecies of S. nigrum, the infamous black nightshade, a plant both resemble and are close related too.

But wait, we’re talking about edible berries here. Wasn’t the infamous black nightshade one of those legendary poisonous plants? That’s what everybody knows, right?

That’s what I have believed all of my life, and what a lot of people think. But is it true? Some people seem to doubt it. (read the linked article!!) And upon looking further it seems that both the (ripe) berries and the leaves of S. nigrum and its close relatives (sometimes lumped together as the ‘Solanum nigrum complex) are eaten by people in Asia, Africa and Nprth-America and even Europe. The ripe berries (unripe berries are considered poisonous) are eaten raw or processed as a fruit, and the leaves are eaten as spinach, sometimes explicitly after getting rid of the boiling water.

So there’s 2 possibilities about the edibility of this poisonous plant: 1. there are indeed very poisonous plants in the S. nigrum complex, and some of which are fine to eat, depending on the type, or 2. S. nigrum and its close relatives are all edible, but we think they are not. Most sources seem to think (2) but some people like Sam Thayer (who did a lot of research for his linked paper) seem to think that the plant isn’t that poisonous after all… After all it is a foodsource on all Northern continents in a lot of non-Western cultures..

It seems that people also confuse the black nightshade with the deathly nightshade (Atropa belladonna), which is one of the most deadly plants of Europe and surrounding areas. And coincidently, according to Thayer, people eat a lot of black nightshade all the time all over the world and do not die, but here in Europe we do not eat it at all, and regard it as poisonous, while the last 50 years no-one has died of poisoning with the plant, and most cases of earlier poisoning are likely to be Atropa-poisoning…

And yet, I’m still not going to eat wild black nightshade berries, but I’m going to give those garden varieties a try this year. Not that I expect too much of them, it seems that not everybody is that enthusiastic about the taste, but I’ll try a few plants of both ‘garden huckleberry’ varieties to see if the berries are indeed useful for desserts…

And no, I’m not ready to eat Solanum spinach at all… I’m okay with amaranth and pumpkin leaf and other versions of horta, but no nightshade please…

So here’s my question for the readers: Anyone here who knows more about the edible uses of S. nigrum plants, or who has seeds of edible strains used for spinach or with very tasty berries? Or anyone who knows of poisoning cases?

Bram

(Oorspronkelijke versie gepost op blog van Brambonius op 6 October 2011, deze versie is een beetje aangepast.)

Op de valreep had ik in de nazomer van vorig jaar nog net de tijd om een recept te proberen dat al lang in mijn achterhoofd hangt om eens uit te proberen, maar waar ik nog altijd niet aan toegekomen was:  een Afrikaanse stoofpot van pompoenbladeren met pinda. Vandaag heb ik een variatie op datzelfde recept gemaakt voor mijn familie, en het viel heel goed in de smaak en was blijkbaar zeker voor herhaling vatbaar, dus dacht ik om het hier nog even te posten.

Even over het meest speciale hoofd-ingredient: Pompoen- en courgettebladeren ( eigenlijk alle eetbare rassen van Cucurbita pepo, C. maxima en C. moschata, maar Afrikanen eten ook fleskalebasbladeren bijvoorbeeld) zijn hele goed eetbaar, al is dat niet zo bekend hier. In Afrika daarentegen worden er dus wel veel dingen mee gedaan, en het is voor iemand die wat pompoenen heeft staan een goedkope, lekkere en originele schotel, en een leuk extra’tje uit je moestuin naast de pompoenenoogst zelf.

Gebruik wel liefst niet al te oude bladeren omdat ze nogal taai kunnen worden, maar verder kan je alle jonge plantendelen gebruiken, ook jonge stengels en bloemknoppen. Was ze heel grondig. Als er geen pompoenbladeren voorradig zijn en je wil dit recept toch gebruiken kunnen er evengoed andere bladgroenten gebruikt worden, al zal de smaak iets anders zijn dan. In de Afrikaanse keuken wordt onder andere amarantblad gebruikt als alternatief dit recept, maar ik denk dat spinazie, boomspinazie of het groen van snijbiet ook heel goed kunnen.

De variant op kipsaté heb ik zelf verzonnen, en had vaag de gewone saté uit de supermarkt in het achterhoofd, maar ook Japanse yakitori. Het gebruik van een baby-pompoentje (een heel jong onvolgroeid gewoon pompoentje ter grootte van een perzik) geeft een speciaal accent: de smaak zit ergens tussen pompoen en courgette in als je ze zo jong oogst. Dit jaar heb ik geen gewoon geel pompoentje versneden voor tussen de spiesjes, maar een jonge vrucht van een toevallig kruising tussen courgette en spaghetti-pompoen die opgekomen is uit zaad dat ik bewaard had van een spaghettipompoen vorig jaar. (Zie foto links. Zelf pompoenzaad bewaren zonder anti-kruisingsmaatregelen is niet het beste idee als je meer rassen hebt staan. Beide rassen zijn Cucurbita pepo en kunnen makkelijk kruisen, en kruisingen tussen pompoenrassen kunnen meevallen of tegenvallen qua eetbaarheid. Deze viel enorm mee en paste perfect in het gerecht.)

ingrediënten (voor 2 personen):

pompoenbladeren-stoofpot:
1 ajuin
1 middelgrote tomaat
pindakaas
kerrypoeder
peper en zout

kipsaté:
1 halve kipfilet
1 baby-pompoentje
1 halve paprika
japanse soya-saus
kipkruiden
witte wijn
(en spiesjes)

rijst

bereiding:

Pompoenbladeren-pinda-stoofpot
Was de pompoenbladeren grondig, hak ze in kleine stukjes, en vul er ongeveer driekwart van een kleine kookpot mee. Voeg dan een in stukjes gehakte ajuin aan toe, en laat een tijdje sudderen met een minimum aan water in een gesloten pot. Laat zo even staan, tot de groenten al wat gestoofd en zacht zijn, en voeg de tomaat toe in kleine stukjes gehakt, en kruid met kerriepoeder, peper en zout naar smaak. Laat nog een tijdje staan tot de tomaat gaar is (zonodig een beetje water toevoegen) dan kan je 2 eetlepels pindakaas toevoegen, vuur veel lager zetten en vanaf nu heel regelmatig blijven roeren (anders bakt bij aan) en nog even laten doorstoven.

Kipsaté
snijd een halve kipfilet in blokjes, en leg die minstens een kwartier te marineren in een mengeling van japanse soya-saus, kipkruiden, een beetje witte wijn, peper en zout. Snij de babij-pompoen in platte schijfjes en doe hetzelfde met de halve paprika. (De tweede keer heb ik ipv paprika ajuin gebruikt, en dat werkt ook goed!)

Rijg de kipblokjes op een saté-stokje afgewisseld met de ene keer een smal schijfje baby-pompoen, de andere keer een stukje paprika of ajuin. Deze saté’s worden dan gebakken in de pan tot ze gaar zijn.

Rijst:
Gewoon naturel koken zoals je het anders zou doen. Plakrijst is het lekkerste denk ik.

Samen opdienen met een lekker rood wijntje!

smakelijk

Bram

(Oorspronkelijk gepost op blog van Brambonius op 20 Maart 2009. Lichtjes aangepaste versie)

Een uitstapje in mijn reeks over ‘koken met onkruid’, want in feite is het helemaal geen onkruid: radijsjesloofsoep. Om het toch relevant te maken voor mijn ‘koken met onkruid’-reeks: je kan het radijsloof vervangen door wilde radijs (een plant die vooral aan de kust groeit maar hier zeldzaam is) of door veel algemenere knopherik, die dichte familie is van de radijs en veel te vinden is op braakliggend terrein… Ook andere cruciferen (mosterd- en koolachtigen, diverse kers-soorten en herderstasje…) zijn bruikbaar voor allerlei gerechten natuurlijk, aar moet je zelf maar mee experimenteren.

Doorgeschoten radijsplanten in een verwilderde plukslamix. in dit stadium is het eigenlijk al te laat om nog veel met het loof te doen. Wel zijn de bloemen eetbaar in salade, en zijn de jonge peultjes lekker in wok-gerechten.

 

Radijzen zijn één van de makkelijkste groenten om zelf te kweken, iets wat op de meeste gronden en in de meeste jaargetijden in een paar maanden wel lukt. Hier in deze streken worden de knolletjes vooral rauw gegeten, meestal in of bij salades, maar in veel oosterse keukens worden die dikwijls gekookt klaargemaakt. Maar niet alleen de knolletjes zijn eetbaar: eigenlijk is de hele plant eetbaar! Wat niet betekent dat alle delen gebruikt worden in de keuken. De stengels zijn bijvoorbeeld nogal taai, en het zaad is mogelijk zelfs giftig als het teveel gegeten wordt, al is die kans klein gezien de sterke smaak.

De zaailingen geven trouwens een lekkere spruitgroente (zijn wel een stuk groter dan tuinkers) en de bloemen kunnen gebruikt worden om salades te versieren zo u wil, en de jonge vruchten (opgeblazen hauwen) zijn ook heel lekker… Voor dit gerecht zijn ook jonge stengels bruikbaar van doorschietende planten, maar vanaf het punt waarop de bloemen echt openen is het niet meer aan te raden om ze te gebruiken.

Maar vandaag gaat het gewoon over het loof, de groene blaadjes op de radijs die de meeste mensen weggooien. Dat loof kan je op verschillende manieren gebruiken. Om rauw te eten is het niet helemaal ideaal, omdat de structuur over het algemeen nogal ruw is, met stugge bijna stekelige haren, wat niet aangenaam is in de mond.

Gekookt kan het toegevoegd worden aan gemengde stoofschotels, en in ‘stoemp’ is het ook lekker (gewoon tussen de puree prakken). Denk er wel aan dat het enorm krimpt, en dat een volle pot bladeren dikwijls maar een goed volle bodem geeft na koken… De traditionele verwerking is de eerder genoemde soep, die heel simpel gemaakt kan worden:

Radijsjesloofsoep

Ingrediënten:
genoeg radijsjesloof om je kookpot voor 2/3 mee te vullen
1 ajuin
vetstof (olie, boter, margarine…)
water
bouillon (+ zout en peper, kruiden en look naar smaak)

en een staafmixer

Bereiding:
Snij de ajuin en stukjes en fruit die op de bodem van je kookpot. Als hij gaar is voeg je de gewassen en wat fijngesneden radijsloofblaadjes toe, en wat water en een bouillonblokje, en zet het deksel op de pot. Als de blaadjes gaar zijn neem je de pot van het vuur, en mix je het geheel tot alles goed fijn is. Dan vul je het water aan en laat het nog even doorkoken…

Met een aardappeltje erbij (aan het begin in kleine blokjes toevoegen) wordt de soep iets dikker en steviger.

smakelijk

Bram